Archief Hoarnestreek |
Hoarnestreek 1 Noorderhoeve

Foto W.Leistra

DE NOORDERHOEVE DOOR D. OOSTERBAAN 1978.

De Noorderhoeve
van 1901- 1921
bewoond door
Klaas D. Oosterbaan

Algemeen.
De sate en landen “De Noorderhoeve”, gelegen aan de Hornestreek onder Tzummarum, bestond in de jaren 1901-1922, waarover deze beschrijving gaat, uit een bedrijfsgebouw van het Friese type voor het gemengd bedrijf op de klei en een aangebouwde woning van het z.g. dwarshuis type en verder de daaromheen gelegen landerijen, gedeeltelijk onder Firdgum gelegen.
In deze boerderij werd schrijver dezes in het jaar 1905 geboren.
Er behoorden verder toe een z.g. “lytshûs”, een houten hok in de finne, en vier arbeiderswoningen.
Tot de gebouwen zou ook nog min of meer gerekend kunnen worden de z.g. “stookpot” op het erf .
Dan was er achter het erf de z.g. “hynsteyester”, een afgeschutte open ruimte, waar de paarden in de zomer verbleven en met rode klaver werden gevoerd.
Bij het erf verder twee z.g. “dongstealen” voor de opslag van de stalmest.
Achter het “lytshûs” was gelegenheid voor opslag van afvalhout en een hoop dekstro.
De huizinge was gebouwd in de 60er jaren van de vorige eeuw, waarschijnlijk op een vóór die tijd onbebouwd perceel grond.
Dat nieuwe gebouw zal hebben gediend als plaatsvervanger van een vlak erbij gelegen oude boerderij van het kop-haIs- romptype, waarvan de schuur werd afgebroken en hals en kop bleven staan om verder te dienen ais woning voor twee landarbeidersgezinnen.
Deze oude boerderij schijnt vroeger de naam te hebben gehad van “Pôllepleats” en was inderdaad op een hoogte gebouwd.
Bij deze beide woningen werd een flinke oppervlakte tuingrond gebruikt.
Een deel van de voormalige gracht om deze vroegere boerderij was nog aanwezig.
De oude “foarein” is in 1922 afgebroken om plaats te maken, na slechting van de hoogte, voor een geheel nieuw boerderijtje.
De toenmalige eigenaar van de “Noorderhoeve”, de heer WiIlem Koning Sr., moet haast wel een voor zijn tijd zeer vooruitstrevend man zijn geweest, met de wil nieuwe ideeën in het landbouwbedrijf ook inderdaad in praktijk te brengen. De schuur was wel van het gewone Friese type, maar was extra sterk gebouwd, doordat op het gewone grote bintwerk een tweede kleinere was aangebracht.
Ook de indeling was in grote lijnen de Friese, maar daarin waren enkele wijzigingen aangebracht.
Zo was het “skuorgongkje”, de verbinding van stal en ……, dat vanouds zich bevond tussen de paardenstalen de achtermuur, nu geplaatst tussen de paardenstal en het eerste graanvak.
Daar voor het vee bestemd stro meestal via de zolder van dit gangetje uit het dorshuis naar de stalzolder werd gebracht was deze meer naar het midden gesitueerde toegang veel praktischer.
In het verlengde van het normale “striefek” was met de deur naar de schuur een kafhok aangebracht.
In het eerste graanvak was zoals pas later ook andere boerderijen werd gedaan, toen al een zolder op een paar meter hoogte aangebracht.
De er onder gelegen ruimte werd gebruikt voor de opslag van voerbieten en had een deur naar de koestal.
Tegen de muur van dit hok was een stelling gebouwd, waar de lijnkoekkisten een plaats konden vinden.
Dan was in het middelste vak tegen de . . .muur een turfhok gemaakt, zodat het vrouwvolk niet meer altijd naar de zolder hoefde om brandstof te halen.
In de stal waren in de schuurruimte een paar halfronde nissen uitgebouwd, waar houten kuipen met kalver drinken of meel in konden worden geplaatst, zodat ze op de stalvloer niet in de weg stonden.
Er was wat een efficiënte uitvoering van de werkzaamheden betreft, haast aan alles gedacht.
Bij het bouwen van de boerderij vond de zuivelbereiding nog op het bedrijf plaats.
Ook hieraan was een modern tintje gegeven.
Het paard liep voor de karnmolen in een zich in het “boppeëin” van de schuur bevindende en daarvan afgesloten ruimte, die zowel een deur naar binnen als naar buiten had. De vrij grote “molkenkeIder” had ontluchtingskokers door de zolder, met daarop op de zolder verplaatsbare ka….
Dit onderdeel van de boerderij was in mijn tijd niet meer in gebruik.
In tegenstelling tot haast alle andere, had deze schuur op het vooreind een met hout beschoten dak.
Dit bleek later geen succes.
Men kreeg te veel last van condensatievocht.
Ook was niet meer aanwezig een overkapping van de mesthoop, die naar ik wel eens heb horen beweren, in het begin had dienst gedaan, om de stalmest tegen inregenen te behoeden.
Dit experiment scheen niet aan de verwachting te hebben voldaan.
De eerste eigenaar moet wel een groot liefhebber van boom- en struikgewas zijn geweest.
Naar men beweerde moet oorspronkelijk erf en tuin met een meer dan gewone hoeveelheid bomen, struiken en heesters beplant zijn geweest.
Hiervan was in mijn jeugd nog een behoorlijk aantal aanwezig.
Ook in de wallen van de bouwlandpercelen groeide meer struikgewas dan normaal in deze streek het geval is.
Rond het woongedeelte van de boerderij was een siertuin aangelegd van het destijds moderne z.g. Engelse model.
Rondom hiervan een afgesloten gracht.
Aan de oostzijde van de schuur was een deel van de grond beplant met bessenstruiken en frambozen en een enkele vruchtboom, waaronder twee grote notenbomen en een hazelnootboompje.
Verder was daar een vrij grote groentetuin aanwezig en een gedeelte, begroeid met gras en in de zomer veel gebruikt als plaats voor de z.g. “piekestelpen”, voor het opfokken van de kuikens.

De landerijen.
Er volgt hier een beschrijving van de tot het bedrijf behorende percelen grond, in de volgorde, zoals op de tekening aangegeven.
1. Achter en naast het ” lytshûs” gelegen stukje grond van ongeveer 1 pondemaat, de “Tún” genaamd; het was bouwland en werd op het gedeelte langs de reed in herfst en winter geregeld gebruikt als plaats voor de in kuilen opgeslagen pootaardappelen voor eigen gebruik.
2. Een langs de reed gelegen stuk bouwland van 3,7 pondemaat.
In de bocht van de reed van 1 naar 2 bevond zich de “hynsteyester”.
3. Perceel bouwland van 3,75 pondemaat.
4. PerceeI bouwland van 2,9 pondemaat, genaamd de “Koarte Trije”.
5. Een perceeltje bouwland van 1,3 pondemaat, het heal moargen”.
6 . Perceel bouwland van 2,25 pondemaat, genaamd foar de keukenglëzen”.
7. Perceel bouwland om en achter de arbeiderswoningen aan de weg, groot 3,3 pondemaat, de “Iytse fjirdeheale”.
8. Bouwland gelegen achter no. 7 met een groene voorakker als scheiding, groot 3,8 pondemaat, “de lange 1½ morgen”.
9. Een perceel bouwland ten zuiden van no. 3, groot 3¼ pondemaat, genaamd de “f jirdeheale”.
10. Een ten zuiden van no. 9 gelegen perceeI bouwand, waarlangs ten zuiden een tochtsloot, groot 2¼ pondemaat, het “achterstmorgen”.
11. in de hoek van de naar het oosten ombuigende reed gelegen, iets onregelmatig gevormd perceel van 3,3 pondemaat, “de lytse fjirdeheaIe”.
12 . Perceel groot 2,4 pondemaat, het “Furdgumer moargen” .
Zo genoemd omdat dit perceel met de 3 volgende nummers was gelegen ten oosten van de scheidsloot vanaf de Hornestreek naar het zuiden lopende, die de grens vormt tussen de dorpsgebieden van Tzummarum en Firdgum.
13. Perceel bouwland ten oosten van no. 12, groot 4,1 pondemaat, genaamd de “Furdgumer Fjouere”.
14. Het sterk gerige perceeltje bouwland, ten oosten grenzende aan de grintweg van Dijkshoek naar Firdgum.
Het was groot 2 pondemaat en werd de “twa oan de girintwei” genoemd.
15. Een perceel bouwland van 2,9 pondemaat, ten zuiden van no. 14 en daarvan gescheiden alleen door een reed, die uitrit had op de weg naar Firdgum.
Voor de percelen 9-10-11-12-13-14 en 15 was, dit voordat ze tot de boerderij “de Noorderhoeve” behoorden, in vroegere jaren de enige uitweg.
Toen ze bij dit laatste bedrijf kwamen te behoren, werd er een dam gelegd tussen de nummers 4 en 11 en een reed gelegd langs de oostkant van nummer 11.
Na de verkoop van de “Noorderhoeve” kwamen deze dam en reed weer te vervallen.
16. Het ten noorden, westen en zuiden van het arbeidershuis, “de oude PôllepIeats” gelegen perceel bouwland, genaamd “de trije Toffels” en groot ± 1½ pondemaat.
Een gedeelte van de zuidkant werd gebruikt als tuingrond door de in de woning wonende werknemers.
17. Bouwland groot 2,3 pondemaat, de “twa en een fearn” genaamd ; dit perceel was alleen door een reed gescheiden van het vorige.
Het had hetzelfde kadastrale nummer en had er dus vroeger deel van uitgemaakt.
Op de noord-westhoek lag een dam naar de volgende percelen en was gelegd toen de laatsten bij de Noorderhoeve kwamen te behoren.
Bij de verkoop in 192O kwam ook deze dam weer te vervallen.
Dit perceel ging door voor dat met de minst goede grond van de hele plaats.
Er kwam het weinig voorkomende onkruid “ministerblêd” (?) in voor, wat toen gold als een slecht teken.
18. Bouwland het “great pôItsje”, 1,3 pondemaat.
19. Bouwland het “Iyts pôltsje”, 1,1 pondemaat.
De beide laatste percelen hadden een terpachtig karakter en waren van elkaar gescheiden door een lager gelegen reed, die uitweg had aan de Hornestreek met de 4 volgende percelen.
Ze hadden waarschijnlijk vroeger samen met no. 16 deel uitgemaakt van één grote terp; de oude huizinge stond nog op een hoogte, de rest van perceel 16 zal dan eens zijn afgegraven.
20. Een perceel bouwland het “Iang moargen”, groot 2,3 pondemaat.
21. Het ten zuiden van het vorige gelegen bouwland, “de seisde heale”, 5,6 pondemaat; dit perceel was van het vorige gescheiden door een greppel, die in mijn jongensjaren geleidelijk met afval werd dichtgemaakt.
Het had hetzelfde kadastrale nummer als het vorige perceel en zal oorspronkelijk ook wel één geheel zijn geweest, met uitrit tussen de beide “pôltsjes” door naar de weg.
Op de westkant van perceel 20 liep nu een reed naar de beide vorige percelen.
Het was volgens overlevering geen best land, doch sinds de kunstmest in gebruik kwam, groeiden er goede gewassen op.
22. Het ten zuiden van het vorige gelegen perceel bouwland, de “lange fjouwere”, groot 3,9 pondemaat.
Het is mogelijk dat de percelen 18-19-20-21 en 22 wel altijd bij de “PôIIepIeats” hebben behoord, maar waren dan oorspronkelijk al leen bereikbaar via de Hornestreek.
23. Perceel bouwland de “Iange trije”, 2,9 pondemaat, naast het vorige en had uitrit over de noordoostelijke hoek daarvan.
Het had ook een dam op het zuidwesten en recht van reed naar de tegenwoordige Hearewei.
Ook recht van opslag op een perceel aan die weg: en vrije vaart langs en plicht tot medeonderhoud van een naar het zuiden lopende opvaart vanaf de Hearewei tot de Minnertsgaaster vaart.
Het zal eertijds bij een nadere boerderij zijn gebruikt .
Langs noord- en gedeeltelijk oostzijde was een voetpad en verder een plank over de sloot naar perceel 10.
24. Het geheel los van de overige gelegen perceel bouwland, groot 4,1 pondemaat, en genoemd de “fjouere oan de leane”.
Het was gelegen aan de Griene leane en daarlangs en via de Hornestreek bereikbaar.
Te voet werd meestal gebruik gemaakt van een paar planken over sloten vanaf perceel 21 en verder over land, behorende bij de naastgelegen plaats “Atsma State”.
De tot nu toe genoemde percelen bestonden alle uit lichte tot zeer lichte zavelgrond en ingedijkt in de 11e eeuw.
De nu volgende hadden een hoger kleigehalte.
Deze zwaardere zavel tot lichte kleigrond werd ingedijkt waarschijnlijk in de 12e eeuw.
25. De “finne”, 5,4 pondemaat grasland.
Dit perceel werd altijd geweid.
In de zuidwesthoek bij de “hikke” stond een houten hok, dat in het voorjaar dienst deed als schuilplaats van de schapen met lammeren.
In de zomer kregen de kalveren er hun drinken en diende in de voorzomer ook voor hen als schuilplaats bij slecht weer.
In de zuidoosthoek is in mijn jongensjaren een hoek afgeschut.
Deze “yester” diende als melkplaats voor het vee.
Schrijver dezes heeft daar de eerste beginselen van het melken geleerd.
26. Het “moargen oan’e dyk” , 2,4 pondemaat bouwland.
27. Het ten noorden van no. 26 gelegen perceel bouwland van 2,4 pondemaat, genaamd het “twadde moargen”.
28. Het “putstik” , 4,2 pondemaat grasland.
Hierin bevond zich een “dobbe ” met “we I ”
In droge zomers kon het vee hier drinken.
29. Het ten oosten van perceel 28 gelegen stuk bouwland de “prúk” geheten, 2 pondemaat .
De oorsprong van de naam is niet bekend.
30. De “fieve”, 5 pondemaat grasland ten noorden van no. 28.
31. Ten noorden van no. 29 een perceel grasland van 2 pondemaat, genoemd de “twa pounsmiet”.
32. Een perceel grasland van 5,1 pondemaat, de “greate fieve”.
Dit perceel was in de lengterichting verdeeld in 2 gedeelten door een z.g. “leie”, een brede ondiepe greppel.
In verband met de scheurplicht is dit perceel in het laatst van de eerste wereldoorlog gescheurd.
Vanaf perceel 25 liep er een voetpad over de percelen 28, 30 en 32 naar de zeedijk.
Dit werd geregeld gebruikt door een paar aan de zeedijk wonende landarbeiders.
Ook wij zelf zijn als kind talloze malen dit pad langs geweest bij onze tochtjes naar zeedijk, kwelder en zee.
33. Het ten westen van perceel 32 gelegen perceel bouwland van 2,5 pondemaat, genoemd het “sédyksmoargen”.
De percelen 32 en 33 hadden recht van reed over een ten noorden van beiden gelegen perceeltje erf en bouwland, toen toebehorende aan P. Ploegstra; de op deze percelen geteelde producten werden soms afgevoerd langs de rijweg langs de zeedijk westwaarts naar de opvaart “de Fiskersfeart”.
Oorspronkelijk hebben deze percelen misschien niet tot de “Noorderhoeve” behoort.
34. Een perceel weiland gelegen in de Hôven onder St. Jacobiparochie.
Het werd alle jaren eerst gemaaid voor hooiwinning en daarna geweid met droog- en jongvee.
35. Een ten zuiden van het vorige gelegen perceel bouwland.
Het werd als vrij zware grond en ver van huis, vaak gebruikt als kunstweide.
De beide laatste percelen komen niet op de bij gevoegde kaart voor.
In de allereerste jaren, dat mijn vader boer was, werden er ook nog twee percelen bouwland gebruikt op het Nieuw Bildt onder St. Jacobiparochie.
Verder hoorde er eigenlijk nog bij een klein perceeltje bouwland van 0,3 pondemaat, gelegen in de hoek van de Hornestreek en de weg naar Tzummarum, op de z.g. “Kampioen”.
Dit perceeltje werd echter steeds onderverhuurd.
Op het noordeinde tegen de weg was een z.g. “dongsteal” gemaakt.
Een gelegenheid voor tijdelijke opslag van aangekochte stalmest, de z.g. “fierdong”, die vanuit een schip uit een aan de overkant van de weg gelegen opvaart werd aangevoerd.

Percelen .

Nummer–aantal h.a.—–naam—————————aard

1——-0.36.0———–Tún—————————-bouwland
2——-1.36.00———-Fjouer min in fearn————,,
3 ——1.37.60———-Lytse fjouere——————,,
4 ——1.07.30———-Koarte rtije——————-,,
5——-0.46.10———-Heal moargen——————-,,
6——-0.82.00———-Keukenglêzen——————-,,
7——-1.22.40———-Lytse fjirdeheale————–,,
8——-1.38.20———-Lange oardeheal moargen——–,,
9——-1.29.20———-Fjirdeheale——————–,,
10——0.93.20———-Achterst moargen—————,,
11——1.20.10———-Trije en ’n fearn————–,,
12——0.88.30———-Furdgumer moargen————–,,
13——1.49.50———-Furdgumer fjouere————–,,
14——0.72.00———-Twa pounsmiet oan ‘e grintwei–,,
15——1.09.80———-Trije oan ‘e grintwei———-,,
16——0.53.00———-Trije toffels——————,,
17——0.82.74———-Twa en in fearn—————-,,
18——0.84.20———-Lang moargen——————-,,
19——0.46.00———-Great pôltsje——————,,
20——0.39.80———-Lyts pôltsje——————-,,
21——2.06.70———-Seisde heale——————-,,
22——1.43.60———-Lange fjouere——————,,
23——1.07.30———-Lange trije——————–,,
24——1.50.50———-Fjouere oan’e leane————,,
25——1.97.74———-Finne————————–grasland
26——0.87.74———-Moargen oan ‘e dyk————-bouwland
27——0.86.90———-Twadde moargen—————–,,
28——1.52.50———-Putstik————————grasland
29——0.73.60———-Prúk—————————bouwland
30——1.84.10———-Fieve————————–grasland
31——0.72.20———-Twa pounsmietsje—————,,
32——1.88.30———-Greate fieve——————-,,
33——0.77.00———-Sédyk moargen——————bouwland
34———————–Yn de hoven——————–grasland
35———————–Yn de hoven——————–bouwland

De aardappelteelt.

Ongeveer de helft van het bouwland. of ruim 30 pondemaat, werd alle jaren met aardappelen beteeld en dat was toen ook al, evenals nu nog, de kurk waarop het bedrijf grotendeels dreef .
Het was toen nog zuivere – consumptieteelt van middenvroege en late rassen.
Alleen de kleine maat werd wel voor pootgoed verkocht.
Als kleine jongen herinner ik me nog de “Munsterse” voor de binnenlandse markt en de “Magnum Bonum” voor export.
Al vrij gauw bestond het overgrote deel uit Borgers (Eigenheimers) en iets later aangevuld met het vrij late ras Rode Star, toen nog van de lichtbonte variëteit.
Later ook “de Wet ‘, en tenslotte de “Bravo” beide met uitstekende consumptiekwaliteit.
De teelt is later verboden in verband met de grote vatbaarheid voor wratziekte.
Het voor eigen teelt bestemde pootgoed bestond uit de kleine maat, die dadelijk bij het rooien al uit de partij werd geschift en dichtbij huis,gedurende de wintermaanden buiten in kuilen werd bewaard .
In begin maart werden ze in de schuur gebracht en over handzeven gesorteerd in 4 maten en wel toen genoemd: eerste soort(ongeveer maat 35/45), tweede soort (ongeveer 28/35) , kriel {beneden 28) en-drielingen (boven maat 45).
De laatsten werden, wanneer men van de anderen genoeg had, nog voor consumptie verkocht.
Het kriel diende als veevoer.
Eerste en tweede soort werden in aardappelkiembakken gedaan en vervolgens in de koestal langs de binnenmuur opgestapeld en met oude zakken van het licht afgeschermd.
In deze vrij warme en enigszins vochtige atmosfeer gingen ze snel tot kieming over.
Toen reeds had men het nut van de later weer tijdelijk in onbruik geraakte warmtestoot, reeds onderkend.
Bij een kiemlengte van 1à 2 cm werden ze weer in de koude en tochtige schuur gedaan om dan verder tot het poten af te harden.
Een methode die sterk gel ijkt op de tegenwoordige .
Alleen de kiemen liet men toen iets langer worden.
Terecht, want dat kon bij de toen in gebruik zijnde methode van poten.
De poters werden n. l. met de hand zorgvuldig met de kiem omhoog in de met een holle “boor” gemaakte plantgaten gedeponeerd.
De aardappels werden toen geteeld op de smalle akkers en wel 4 planten naast elkaar op een akker.
Alle aardappelen kregen een bemesting met stalmest.
Voor zover er op eigen bedrijf niet genoeg was, werd die aangevuld met aangekochte z.g. “fierdong”, een weinig stro bevattende stalmest uit de weidegebieden.
De stalmest werd aangevuld met een zekere hoeveelheid, toen juist in gebruik gekomen, kunstmest.
Dat was toen de z.g. “7×9”, bevattende 7% N en 9% P20.
Het wieden gebeurde uitsluitend met de hand en wel met ,,houwer,, of schoffel .
De oogst begon zodra het gewas voldoende was uitgerijpt .
Meestal begin september en duurde vaak tot ongeveer half oktober.
De planten werden één voor één opgestoken en de knollen met de hand opgezocht en daarbij dadelijk geschift in grote en kleine .
Ze werden vanuit de zoekers bakken over gestort in een grote zak en die werd op de rug van de opsteker naar het eind van het perceel gedragen en daar aan de “bult” gestort.
De grote in een kuil, die 25 à 30 korf (± 75 k.g. ) per strekkende meter kon bevatten.
Die voor de kleine was iets lichter .
Deze kuilen werden zo veel mogelijk met vlasriet (?) afgedekt en na enkele dagen nog met een dun laagje grond, de z.g. “simmerskiel “.
Was er niet genoeg riet, dan gebruikte men sluikstro (?), dat daartoe vanaf de winter aan een aparte hoop, gebonden in dikke schoven, de z.g. “grúden”, werd bewaard.
Waren de aardappels per 15 oktober nog niet afgeleverd, dan kwam er tegen vorstschade, nog een steek grond op, de z.g. “hjersthûd”.
Die werd eventueel per 1 december nog overdekt met het winterdek, de “winterhûd”. Dat was opnieuw een laag riet of stro en nog een steek grond.
De oogst werd meest geleidelijk verkocht en afgeleverd.
De laatsten werden soms tot in juni bewaard.
Ze moesten dan in voorjaar en zomer om de kiemvorming af te remmen, nu en dan worden omgeschept.
Bij warm weer gebeurde dat veelal in de vroege morgenuren.
Ze werden meest afgeleverd in een in de meest nabije opvaart gemeerd vaartuig.
Tegen de aardappelziekte werd reeds toen gespoten met een koperhoudend middel en wel met een rugspuit.
Dit gebeurde vanaf de langste dag en dan om de twee weken tot het afsterven.
De poters waarvan de nateelt bestemd was voor eigen pootgoed, werden reeds toen met een “subIimaat” ontsmet.
De chemische middelen in de landbouw stammen dus niet uit de laatste tijd alleen, die hebben reeds een 60 jaar geleden hun intrede gedaan.
Trouwens niet alleen bij de aardappels, zoals we later zullen zien.
Het was toen in de beginperiode van de gewassenkeuring en mijn vader had daar veel belangstelling voor.
De selectie van de aardappelen, voor zover het behalen van de goedkeuring door de keuringscommissie en een zo goed mogelijk keuringscijfer, bestond de eerste jaren uitsluitend uit het eenmaal doorlopen van het reeds volgroeide gewas.
Verwijderd werden alleen planten van een ander ras, zeer kleine en fijne types en z. g. “krullers”, d.w.z. planten met een erge vorm van topbont (?) of mozaïek.
BIadroI kwam toen in de meest verbouwde rassen nog weinig voor.
Het loof van de uitgeselecteerde planten bleef ter plaatse liggen en de reeds flinke knollen werden meegenomen en zo mogelijk voor consumptie verkocht.
Van buurbesmetting door bladluizen wist men nog niet.
Na enkele jaren begon mijn vader als één der eersten met stam- en ook massaselectie.
Hij vond daarbij in mijn persoon, hoewel nog een schooljongen, een enthousiast medewerker.
Reeds op 12 jarige leeftijd liet hij mij in voor eigen nabouw bestemde percelen , de enigszins in ongunstige zin afwijkende planten, met een rietje aanmerken.
Deze gemerkte planten werden dan later voor het rooien eerst verwijderd.
Vooral met de toen nog gebruikte massaselectie hadden we nogal succes.
Ik kan me nog herinneren, dat in het jaar 1921, het laatste oogstjaar op de Noorderhoeve, de gehele lange 1½ morgen met uit massaselectie verkregen pootgoed was beplant en bij de veldkeuring de daaruit voortgekomen Eigenheimers in de hoogste klasse met cijfer 10 werden goedgekeurd.
Iets wat slechts voor zeer weinig percelen toen was weggelegd.
Zulk een succes was iets,waar het hele gezin van genoot.

De graanteelt.
De granen bestonden voor het grootste deel uit wintertarwe.
Dan was er alle jaren een perceel wintergerst.
Deze was reeds vroeg rijp en dan kon alvast met de oogst worden begonnen.
Dit gewas was bovendien zeer geschikt als dekvrucht voor rode klaver.
Hiervan werd alle jaren één perceel verbouwd als voedsel voor de paarden.
Daarvoor diende ook een zekere oppervlakte haver, die weer wat later aankwam dan de wintertarwe.
Zodoende kwam er enige spreiding in de oogst.
Zomertarwe en zomergerst werden praktisch alleen verbouwd, wanneer de wintertarwe wegens omstandigheden in de herfst niet op tijd kon worden gezaaid of was uitgevroren.
Een heel enkele keer werd eens een gokje gewaagd met kanariezaad.
Het verreweg meest verbouwde tarweras was toen de Wilhelminatarwe.
Bij de haver herinner ik me de rassen Lege (?) , Strúte (?) en Gouden Regen.
De zaadgewassen werden toen reeds meest met de machine gezaaid en dan in loondienst.
Wintertarwe en gerst werd ook wel eens met de zaaiviool gedaan.
Het zaaizaad van de tarwe werd al tegen steenbrand ontsmet.
Het werd daartoe in de schuur op de dorsvloer uitgestort, met een oplossing van het middel overgoten en een paar keer goed doorgeschept.
Na een dag drogen kon het dan weer worden opgezakt.
De graanoogst werd volledig in de schuur opgestapeld en in de winter gedorst met een breedstrodorsmachine.
Deze werd aangedreven door een rosmolen, waarvoor twee paarden waren gespannen.
Alleen de wintergerst werd in de voorherfst wel eens gedorst, door er in het dorshuis de paarden in te laten lopen.
Het kaf werd verwijderd door een wanmolen. Dat van de tarwe diende als voedsel voor de paarden, veelal gemengd met melasse .
Granen en zaden werd na verkoop afgeleverd, door ze te rijden naar het in de opvaart gelegen beurtschip.
Het zelf niet te gebruiken stro werd in dikke schoven (grúden) gebonden en door een strohandelaar uit Franeker met wagens afgehaald.

Het vlas.
Als derde belangrijke gewas moet worden genoemd het v1as, toen nog volledig behorende tot het witbloeiende Friese landras.
Er werd bij voorkeur zaaizaad gebruíkt van eigenoogst.
Om de kiemkracht .

Overige gewassen.

De rundveehouderij .

De paarden.
Er werden een 6 à 7 tal paarden op na gehouden.
Ze waren meest van gemengd ras, waarin meer of minder z.g. Bovenlands, Fries en ook Belgisch bloed in voorkwamen.
Aan fokkerij werd niet veel gedaan.
Ze verbleven in de zomer, totdat er stoppels vrijkwamen, meest in de z.g. “hynstejister”, een met hekwerk afgeschoten ruimte, waar ze met rode klaver werden gevoed.
Behalve bij het gewone werk als de grondbewerking en het rijwerk, deden ze in de wintermaanden dienst als krachtbron voor het aandrijven van de dorsmachine.
Ze liepen dan voor de “rosmoIen”, een vrij zwaar karwei.
Er was steeds één dier bij, dat een opleiding had gehad voor rijtuigpaard.
Het moest goed mak en vertrouwd zijn op de weg en tevens zo mogelijk een goede gang hebben.
Paarden, die aan al deze eisen voldeden, hadden een belangrijk hogere handelswaarde.
Als uitzondering op de regel kwam dit paard meest niet in de “jister”.
Om schone benen te houden, verbleef het meest in het weiland.
Als zodanig heeft lang dienst gedaan een donkerbruine ruin van min of meer Fries type met de naam Prins.
Later ook een zwarte merrie van bovenlands type met de naam Nette.
Van de andere dieren kan ik me nog herinneren de namen Jouke, Wanda, Krúdje en Witvoet.

De werknemers.
Er waren 7 à 8 volwassen arbeiders in vaste dienst, waarvan er 4 in dienstwoningen woonden.
Ze werden voor een jaar aangenomen op een mondeling arbeidscontract, dat liep van 12 mei tot 12 mei.
Er vond nogal eens wisseling plaats.
Ze voelden zich ook allemaal niet zo goed thuis zo ver van het dorp, op de ruimte.
Eén van hen deed dienst als z.g. “vaste arbeíder”.
Daarmee werd bedoeld iemand, die speciaal was belast met het verzorgen van het vee.
Deze had een vast weekloon en werd ook in tegenstelling tot de anderen bij onwerkbaar weer in de zomer doorbetaald.
Hij werkte per dag een uur meer dan de anderen, de z.g. los-vaste arbeiders, die per uur werden betaald en in de zomer veel akkoordwerk hadden en dan iets meer verdienden.
Naast deze volwassenen was er, behalve in de winter, geregeld hulp van jongens en meisjes en in de oogst, ook van getrouwde vrouwen, bij het graan binden en bij het aardappel zoeken.
Het vaste personeel werd zo nodig tijdelijk aangevuld met geheel losse krachten.
Als veeverzorger kan ik me nog vaag herinneren Oene Kolthof.
Veel beter Sjouke de Haan, die 12 jaar lang op het bedrijf werkte, ook een tijdlang als los-vaste arbeider.
Het was een allround vakman en één der weinigen die alle voorkomende werkzaamheden op een gemengd bedrijf volkomen onder de knie had.
Zo deed hij ook wel dienst als vervangend ploeger.
Als los-vast arbeider deed meerdere jaren dienst Romke Marra.
Dat was ook het geval met Tjerk Ennema en Pieter Ploegstra.
Deze beiden woonden niet in een dienstwoning, maar aan de Zeedijk.
De eerste was toen een nog jonge man, zeer rustig en zwijgzaam.
Het was een uitstekende ploeger.
Ploegen was in die tijd met zijn smalle-akkercultuur een moeilijk vak en goed werk was zeer belangrijk.
De tweede was toen al een oudere man, die in de wintermaanden in de schuur zijn werk had bij het dorswerk.
Als los vaste uit onze kinderjaren hebben we nog enige herinnering aan een zekere Oeds met als bijzonderheid, dat die altijd een hoge zijden pet droeg.
Dan nog een zekere Folkert, een oudere man die erg doof was en naar ik meen woonde op de Kampioen.
In latere jaren waren als los-vast nog werkzaam Steven de Jong, Tiete Jansen, Bodes Postma en Lolke Boomsma en Tjeerd de Jong, alle wonende in een dienstwoning.
De laatste was toen al een oudere man, die ’s winters zijn werk in de schuur had.
In Firdgum woonde Feie Westra, verscheidene jaren los-vast arbeider.
Als tijdelijke hulp in drukke perioden zijn op het bedrijf o.a. werkzaam geweest Hendrik Tolsma met zijn toen nog ongehuwde zoons Dirk, Wijtse en Hendrik, wonende in Firdgum.
De beide Hendriks kregen in de winter vaak een tijdlang werk met het tot …hout maken van het zorgvuldig verzamelde houtafval, verkregen bij het snoeien en onderhoud van bomen en struiken en het afdanken van houten gereedschap en werktuigen enz.
Verder de toen nog ongetrouwde zoons van eerdergenoemde Pieter Ploegstra en Tjeerd de Jong, respectievelijk Tjep Ploegstra en Yme de Jong.
Verder nog Dirk de Jong.
De beide laatsten brachten het later met hulp van mijn vader tot respectievelijk groot timmerman-aannemer en klein boer (gardenier).
Dan moet nog worden vermeld een zekere Reinder.
Deze had in de winter tot taak de landerijen zo veel mogelijk vrij van mollen te houden.
Hij deed dit voor meerdere boeren en werd betaald met een dubbeltje per ingeleverde mol.
Als hulp in de huishouding en tevens in drukke perioden als melkster en soms als repareerster van aardappel- en graanzakken, herinner ik me nog Tetje Ennema, een zuster van Tjerk en Trijntje en Eelkje de Haan, beide dochters van Sjouke.

Zakelijke connecties.
Personen, die in zakelijk verband min of meer geregeld op het bedrijf verschenen, waren o.a.:
De commissionair in aardappelen Pieter Boomsma, de commissionair en handelaar in granen en zaden Philippus Posthuma en later diens zoon Sijbrandus.
Philippus herinner ik me nog als een vrij kleine man met altijd een zijden pet op en zijn lange tochten langs de boerderijen altijd afleggende op klompen.
Ik zie hem nog in huis, na betaling van zijn aankopen, de aangeboden sigaar met veel ceremonieel aansteken.
De verkoop van het vlas werd verzorgd door Teakle Swart, een boerenzoon en vroegere schoolgenoot van mijn vader.
Als veehandelaar kwam op het bedrijf Lieuwe Meier van Minnertsga en later ook Willem Spoelhof van Tzummarum.
Export van fokvee naar het buitenland ging enkele keren via de firma Kuperus van Marssum.
Ik kan me nog herinneren, dat Karsjen Kuperus, een achterneef van mijn vader, eens een lange avond bij ons doorbracht, voordat de overeenkomst over de aankoop van een bepaalde koe werd beklonken .
Jaarlijks verscheen ook een inspecteur van het stamboek.
Dat was eerst Herman Offringa, later een zekere Wijbinga en Jan van der Weide.
De laatste was als boerenzoon zijn loopbaan in de veeteelt begonnen als secretaris van de fokveevereniging “Barradeel” en was dus een goede bekende in de streek.
Hij bracht het tot een zeer groot vertrouwen bij zijn “klanten” en werd als een huisvriend beschouwd.
Dat was eigenlijk ook het geval met Foeke Rienks van Stiens.
Deze deed jarenlang dienst als brander van het door het stamboek goedgekeurde vee.
Ook deze was een zeer ver familielid van mijn vader.
Er moet ook nog worden genoemd Klaas van der Weide van Minnertsga, een broer van bovengenoemde Jan en diens opvolger als secretaris van de fokveevereniging.
Hij was tevens hoofdcontroIeur van de melkcontroIe vereniging en kwam als zodanig éénmaal in de vier weken op het bedrijf om monsters te nemen.
Hij was ook kassier van de boerenleenbank in Minnertsga en evenals zijn broer een zeer geziene persoonlijkheid.
De melkcontrole werd verricht om de twee weken.
Om de andere keer werden de monsters genomen door de monsternemer Anne Steliingwerf, die dat werk, later in vaste dienst bij de zuivelfabriek in Berlikum, jarenlang heeft gedaan.
Ook die was een zeer geacht persoon.
Als handelaar in schapen en nuchteren kalveren kwam Dirk Hoekstra van Tzummarum.
Wat mij als kind bij deze man altijd het meest opviel, was zijn sterk gebogen (Griekse) neus.
Er werden ook wel eens schapen verkocht aan Jurjen Tolsma van St. Jacobiparochie. Aan die werd ook nogal eens een enterstier verhandeld.
Dit was de latere schaakmeester van Friesland.
Een man die ook waard is vermeld te worden, is de toenmalig op het bedrijf dienstdoende veearts, genaamd Boer en wonende in het dorp St. Annaparochie.
Het was toen al een typische persoonlijkheid, maar zou nu in alles afwijken van hoe men zich nu een dierenarts voorstelt.
Het was een grote, breed gebouwde man, die altijd als heer gekleed op de boerderijen verscheen.
In lange zwarte of grijze schootjas en een witte boord om de hals.
In zijn werk werd deze jas, als hij het nodig vond, wel vervangen door een lange grijze, wat we nu een stofjas zouden noemen.
Hij ging toen door voor een uitstekend vakman, die niets te veel was.
Hij legde de voor die tijd soms zeer lange afstanden naar zijn klanten af op de fiets, weer of geen weer. bij dag en bij nacht.
Er werd in die tijd begonnen met een jaarlijks onderzoek op t.b.c. van het gehele beslag vee.
Dat was toen een heel karwei.
Het begon met een opname van de lichaamstemperatuur van elk dier afzonderlijk, wat met krijt aan de balk werd genoteerd.
Dan volgde inspuiting met tuberculine.
Geholpen door het personeel van de boer, volgde de dag daarna driemaal weer een temperatuuropname, die werd vergeleken met de voortemperatuur.
Een duidelijke verhoging wees op t.b.c. besmetting.
Het was altijd een spannende dag.
Bij dit in de stalperiode gehouden onderzoek, werd veearts Boer toen steeds geassisteerd door een zekere Roelof de Vries, ook van St. Annaparochie.

De Verkoop.
In 1920 besloten de eigenaars van de Noorderhoeve, de familie Koning, deze te verkopen.
De openbare verkoop vond plaats provisioneeI op 30 november in café “Het Wapen van Barradeel ” en finaal op 14 december 192O in cafe Miedema, beide te Tzummarum.
De algemene verwachting was dat mijn vader de plaats wel zou kopen.
Bij de eerste zitting werd daar dan ook duidelijk rekening mee gehouden en de verschillende percelen werden voor die tijd vrij hoog beschreven.
Zo hoog, dat mijn vader besloot niet aan de verwachting gevolg te geven en in de plaats daarvan te trachten elders een boerderij te pachten of te kopen.
Dit gelukte op vrij korte termijn inderdaad.
Bij de finale verkoop bleven dan ook meerdere strijkgeldschrijvers tot hun schrik met een “boItsje” zitten.
Volgens het verkoopboekje brachten de verschillende percelen: de huizinge, de 4 arbeiderswoningen en 97,2 pondemaat of 35,82 h.a. land in totaal op f 113.380,-.
Dat is f 1166,- per pondemaat of f 3572,- per h.a., de gebouwen inbegrepen.
Koper van de huizinge werd D. v.d. Berg.
Van de arbeiderswoningen deze met S. Sijtsma.
Kopers van de landerijen werden S. Siderius, Belksma, S. Sijtsma, B. Wassenaar, G. Sijtsma, Abbring, Meerstra, allen strijkgeldschrijvers.
Verder de naast-liggers B. Fennema, P. de Haan en P. Ploegstra en de vrij dicht in de nabijheid wonende landgebruikers of eigenaars K. v.d. Weg, L. Wallinga, D. v.d. Zee, J. Brouwer, J. Zwager, S. Deinema, J. Brems, R. Post en R. v.d. Zee.
De verkoop had plaats ten overstaan van notaris G.D. Boswijk te Sexbierum.
Oproeper was J. Veenstra te Tzummarum.

Na de verkoop. Het pachtcontract van de Noorderhoeve liep tot 12 mei 1922.
Maar omdat de door mijn vader gekochte boerderij aan de Oudebildtdijk te St. Annaparochie reeds in het voorjaar van 1921 moest worden aanvaard, werd op 9 mei 1921 daarheen verhuisd.
Voor het laatste bedrijfsjaar op de Noorderhoeve werd een bedrijfsleider aangesteld, die daar ook op kwam te wonen.
Dat was Louw Wiersma, tot dien bedrijfsleider op een boerderij te St. Annaparochie.
Hij trouwde toen met Zwaantje de Beer, een boerendochter uit de Westhoek onder St. Jacobiparochie.
Dit gezin bleef er na mei 1922 nog een jaar wonen.
Woning en enig land werden van de nieuwe eigenaars gepacht.
Daarna gelukte het hen een volledige plaats te pachten in de Zuidhoek te St. Annaparochie. De eigendom van de gebouwen en verschillende percelen land gingen later weer en soms meerdere malen in andere handen over.
De bedrijfsgebouwen van de boerderij brandden op zekere tijd af – achter de overgebleven woning werd toen een kleine schuur herbouwd.
Later deed zich het merkwaardige feit voor, dat de huizinge met enkele percelen land, waarvan sommige afkomstig uit de Noorderhoeve, werden aangekocht door de vroegere pachter daarvan, mijn vader.
Als geldbelegging en tevens om een voormalige losse arbeider, waar ondernemerslust in zat en die met een zoon veel interesse had in de aardappelselectie, te helpen zelf een eigen bedrijfje te beginnen.
Dat was Dirk de Jong.
Eerst werd aangekocht de voormalige huizinge van de Noorderhoeve en perceel no. 18; daar kwamen bij ± 4 pondemaat bouwland bij Dijkshoeve, wat vroeger niet bij de Noorderhoeve hoorde.
Bij een openbare verkoping op 13 april 1939 in het Wapen van Barradeel te Tzummarum en één op 21 december 1939 in café Miedema aldaar, beiden te overstaan van notaris Jollema te Sexbierum en beide krachtens rechterlijk beveI, werden nog gekocht de percelen 29, 20 en 21 uit de Noorderhoeve.
De prijs was ruim f 900 per pondemaat.
Alles werd dus verpacht, aan bovengenoemde de Jong.
Toen deze in de vijftiger jaren wegens gevorderde leeftijd beëindigde, werd één- en ander verpacht aan (een; j. I. ) zoon van Siebe de Vries, een voormalige losse werknemer; dat was Jan de Vries, die tot op heden nog pachter is van het land.
Na het overlijden van mijn vader is de eigendom overgegaan naar mijn zuster Sietske Dijkstra- Oosterbaan, nu wonende te Dronten.
In 1970 vatte de Vries het plan op, achter de huizinge een moderne stal te bouwen, bestemd voor kuikenmesterij.
In verband daarmee werd overeengekomen, dat de eigendom van de gebouwen overgingen naar de Vries zelf; dat laatste gebeurde ten overstaan van notaris de Groot te Sexbierum.
Jan de Vries heeft nu naast de pacht van de hiervoor genoemde percelen nog in eigen gebruik en gepacht van anderen de volgende percelen afkomstig uit de voormalige Noorderhoeve: 23, 25 en 27 en nog een perceel elders.
Bij de voormalige huizinge is dus nu weer in gebruik in totaal + 30 pondemaat, waarvan afkomstig uit de Noorderhoeve 22 pondemaat.
De percelen 30, 3I, 32 en 33 zijn in de dertiger jaren geheel uitgegraven.
De grond is gebruikt voor de in verband met de aanleg van de Afsluitdijk nodig geachte verhoging van de zeedijk.
Het is nu water en een mooi natuurreservaat.
Daar er nu in het betreffende gebied een ruilverkaveling in uitvoering is, zal er ter zijner tijd wel tot een herverkaveling en herverdeling van de nu verspreid liggende percelen worden overgegaan.
Mede door de plaats vindende cultuurtechnische veranderingen zal er binnen enkele jaren weinig meer van de oorspronkelijke toestand zijn terug te vinden.
Ik hoop met de voorgaande beschrijving te hebben bijgedragen aan de wenselijkheid, dat men in de toekomst nog zal kunnen kennis nemen van hoe het er in het verleden ter plaatse heeft uitgezien en hoe het er toen reilde en zeilde.

Gebouwen, erf en tuin
Hier volgt alsnog een beschrijving van rondom de gebouwen in mijn jongens jaren.
De Noorderhoeve lag aan de Hornestreek, een uit de middeleeuwen daterende oorspronkelijke zeewering, die later als verkeersweg diende.
Deze kleiweg is in 1915 verhard.
Dat was ook hard nodig, want in een droge zomer werd het een zeer rulle en zeer stuivende rijweg en in natte perioden haast onbegaanbaar wegens diepe sporen en gaten en slijk.
Bi j hoge waterstanden stond hij zelfs wel geheel onder water.
We liepen dan naar school in Tzummarum over de z.g. waterdammen, een wat hoger liggende waterschapskering.
Aansluiting op electra, gas, waterleiding en telefoon was er nog niet.
Van radio of televisie had men nog nooit gehoord.
De verlichting vond plaats met petroleumlampen en tijdens de energieschaarste (er is niets nieuws onder de zon) tijdens de eerste wereldoorlog hoofdzakelijk met kaarsen, zowel in woonhuis als schuur en stal.
Voor verwarming werd in de woonkamer antraciet gebruikt in een z.g. vulkachel, hoogstens tot ± 15 graden Celsius.
In de kookkachel in de woonkeuken werd hout en turf gestookt.
Voor opslag van de lange turf diende het reeds genoemde turfhok in één der schuurvakken tegen de stalmuur.
Harde turf, hout en antraciet, vond plaats op de zolder boven de keuken.
De as werd verzameld in een afzonderlijk gat aan het eind van een sloot, op de tekening aangegeven.
Van tijd tot tijd werd die over het land gebracht.
Op deze keukenzolder was de schoorsteen uit de keuken ingericht tot het roken van zijden spek en bij de vleesschaarste in de eerste wereldoorlog nog als zodanig gebruikt.
Om op deze zolder te komen was er een afgesloten vaste trap vanuit de stal.
Een ijzeren branddeur gaf toegang tot de zolder boven het voorhuis, boven elke kamer één.
Deze werden hoofdzakelijk gebruikt voor het bedrijf en wel voor tijdelijke opslag van losse haver en vlasknop.
En verder voor die van afgewerkte bundels vlaslint tot de aflevering; die aflevering vond dan plaats via een open raam van een boven de tussengang gelegen slaapkamertje, de z.g. kajuit.
Er werd een wagen op de grond er onder gereden en daar van bovenaf op gegooid.
In dit slaapkamertje waren een tweepersoons en een eenpersoons ingebouwd open bed.
De ruimten boven het voorhuis waren ook bereikbaar via een vaste trap vanuit de voorgang.
Als drinkwater en voor de was diende regenwater, verzameld in een ondergrondse waterbak, die zich in het “plak”, een soort bijkeuken bevond.
Het drinkwater werd voor gebruik door een filter geleid.
Het drinkwater voor het vee en wat gebruikt werd als schrob- en spoelwater werd opgepompt uit een paar weiputten, waarvoor zich pompen bevonden in de stal, in de bijkeuken, waar ook een eenvoudig aanrecht aanwezig was en één buiten tegen de bijschuur muur.
Tweepersoonsbedsteden om in te slapen, bevonden zich behalve de reeds genoemde in de kajuit, nog één in de voorkamer, één in de keuken en één in elk der op de tekening aangegeven afzonderlijke slaapkamertjes.
Aanvankelijk was er nog één in de stal.
Doch deze diende in mijn tijd reeds als opslag voor bezemrijs.
Als bijzonderheid moet nog worden vermeld, dat er, voor zover er een buitenmuur aanwezig was, daarin in de bedsteden een af te sluiten Iuchtrooster aanwezig was.
Iets zeer vooruitstrevends voor die tijd!
Er was dus oorspronkelijk plaats voor in totaal 13 personen om de nacht door te brengen.
De mooie kamer had in de laatste jaren die functie reeds verloren en was door het plaatsen van een tweepersoons ledikant tot slaapkamer omgevormd.
Als wc. zonder water was er ten dienste van het personeel een gelegenheid aan het eind van de stal, naast de buitendeur; die was boven een gierkolkje, dus gemakkelijk.
Voor gezinsgebruik werd in de wintermaanden gebruik gemaakt van een in de schuur uitgebouwd hokje in de bijkeuken.
In de zomer diende er één, gebouwd onder het open afdak, waaronder zich de achterbuitendeur bevond.
Wat de beide laatste gelenheden betreft, moesten de tonnen dus op zijn tijd op de mestvaalt worden geledigd.
Dit gebeurde op vaste tijden door twee vaste werknemers, die daarvoor eens per jaar elk een kistje met 100 stuks goede sigaren ontvingen.
Voor het bleken van de was diende een afzonderlijk bleekveld of ook wel het reeds genoemde grasvetdje bij het achtererf .
Melkbussen en gereedschap en grove potten en pannen van de huishouding werden in de zomer gewoon schoongemaakt met water uit de gracht.
Daartoe was er een houten z.g. “staIt” (waterstoep) gemaakt boven het water.
Deze gracht was geheel afgesloten, werd goed onderhouden en bevatte zeer helder water, waarin alle mogelijke vormen van de waterfauna zeer rijk waren vertegenwoordigd.
De gracht bij het achtererf diende als spoelplaats voor het reinigen van werktuigen, zakken enz.
Er was oorspronkelijk een koestal met hoge tweestands stallen voor in totaal 12 stuks grootvee.
Het jongvee werd gestald in het lytshûs.
Naast het grootvee volgde een open ruimte met zitbank en dan nog een z.g. merriehok, waarin een merrie met veulen of eventueel ander vee los kon lopen.
Verder was er nog plaats voor een zestal paarden.
Omstreeks 1910 is de stal omgebouwd tot één met 21 eenlingstallen met buisafscheiding, voor groot- en kleinvee samen.
De jongveestallen in het lytshûs werden voor een deel ingericht als kippenhok.
Deze verbleven oorspronkelijk in de winter in een verblijf boven koe- en paardenstal en in de zomer op de zolder van het hok in het weiland.
In het “lytshûs” was ook nog een stal voor een jong paard.
Wanneer dat er niet was, werd dit hok met de overgebleven jongveestallen vaak gebruikt voor het houden van konijnen.
Aan de landreed lag in een bocht daarvan en ongeveer 100 meter van het erf de “hynsteyester” (paardenkamp).
Van de op de tekening vermelde tuingrond was een vrij groot gedeelte al vanaf mijn 6e jaar geheel aan mij ter beschikking gesteld en was daar volkomen zelf baas over.
De grond werd bijna geheel gebruikt voor het uitoefenen van toen mijn grootste hobby, het kweken en vermeerderen van alle mogelijke zaaibloemen.
Achteraf bezien, een zeer verstandige daad van mijn vader, zijn mogelijke opvolger zo al jong een praktische leerstoel te geven en tevens verantwoordelijkheid aan te kweken voor een misschien later te voeren eigen bedrijf.
Eenmaal per jaar werd er niet alleen door de boerin in het woongedeeltegrote schoonmaak gehouden, ook het bedrijfsgedeelte kreeg in het voorjaar een grote beurt, zowel binnen als buiten.
De stal uiteraard in mei, nadat het vee buiten bleef.
De schuur kreeg van binnen een beurt na afloop van de zaai- en oogstperiode.
Er werd dan eerst geraagd door iemand, die dat vak o.a. speciaal verstond en in het voorjaar de verschillende boerderijen afreisde.
Maar ook buitenom werden alle goten schoongemaakt en alle muren afgeboend.
Er mocht geen enkele groene aanslag meer zijn te zien.
Dit werk gebeurde zoveel mogelijk bij vochtig weer en wanneer er op het veld toch niets was te doen.
Het gehele personeel was er dan mee bezig.
De boer was in die dagen zeersterk op zijn eer gesteld.
Daarbij hoorde ook het keurig uitzien van landerijen, vee, erf en tuin en ook dat van de gebouwen.
Wat dat betreft is er tegenwoordig vergeleken met vroeger zeker geen vooruitgang geboekt.
Vooral de totaal veranderde werkomstandigheden zullen daar ongewild schuld aan hebben.

Plattegrond van gebouwen erf en tuin.
Daar deze plattegrond is geschetst zoals ik mij die na een tijdvak van 60 jaren nog in mijn herinnering kan terugroepen, zullen de maatverhoudingen wel niet helemaal juist zijn.

Grachten en sloten weg, reden, paden en erf ,gras, bomen, struiken, heesters, bloemperken.

1. grasland
2. bouwland
3. groentetuin
3a. groentetuin vaste arbeiders
4. bessen- en frambozenstruiken
5. mesthoop
6. gierkolk
7. giergat
8. overloop gier naar sloot
9. kippenren
10. strobult
11. opslag houtafval
12. opslag takkenbossen
13. yester voor paarden
14. yester voor melkvee
15. rosmolen
16. kookpot
17. hok voor kalveren en schapen
18. hokken van vaste arbeiders
19. openbare weg Hornestreek
20. bleekveld
21. koestal
22. paardenstallen
23. gang van stal naar schuur
24. strohok
25. overdekt graanvak
26. graanvak
27. kafhok
28. overdekt graanvak
29. graanvak
30. hooivak
31. turfhok
32. rijtuighok
33. voormalige ruimte voor karnmolen
34. bijkeuken
35. wc.
36. gang
37. woonkeuken
38. woonkamer
39. mooie kamer
40. slaapkamertje
41. bedstede
42. overloop
43. kast
44. kelder
45. bijschuur
46. stal voor jong paard
47. kippenhok
48. jongveestallen
49. waterstoep

De kaart die wordt genoemd is niet aanwezig.

Heb je op- of aanmerkingen over dit archief-item? Maak dan gebruik van de onderstaande envelop!

*Vermeld altijd de titel van het archief-item in het onderwerp of het bericht.

Stuur dit naar iemand