Ten zuiden van Tzummarum lagen vroeger verschillende meren.
Noordwesten van Boer lag het Catharinameer.

H.Steenstra schrijft in 1836 “Daar is nog veel laag land, dat alleen door watermolens droog kan gehouden worden.
Dat lage land was in de oude tijden een meer , hetwelk zeer vischrijk was”.
Noordelijk van Dongjum was het Monniken-meer.
De monikken van Klooster Lidlum hebben door het aanleggen van de Muonse-wei een moerassig stuk grond ingedijkt, maar ze zijn er niet ingeslaagd het meer droog te leggen.
Dat gebeurde pas na dat de watermolens het water konden afvoeren.
Rond 1700 was het meer er nog.
Noordwestelijk van Dongjum lag het Dongjummer-meer, die is in 1776 ingepolderd.
In zijn aantekeningen over de dorpen en kloosters van Franekeradeel schrijft Steenstra, “dat meer had voor enige eeuwen de uitgestrektheid vanaf bij de Kerkbuurt van Dongjum tot de Slachtedijk.
Enige landen zijn nog met namen als Hoppen, Visscherij en Meer als deelen van dat vroegere meer bekend.
Aan de oevers van dat voormalige meer stonden weleer twee boerenwoningen, welke nog in 1836 onder de naam “Biezen” bekend zijn,” Dat moet dus Bjuzze zijn.