Ook Sjoerd Tuinstra, een commissionair in aardappelen en bieten uit Franeker, kortweg 'de bietenagent' genoemd, zag wat in de zaak van de jongens.
In het begin van de vijftiger jaren bood hij spontaan vijfduizend gulden ter lening aan, een bedrag dat hij later nog zou verdubbelen.
Watze: 'Hij wou niets op papier en we hoefden voorlopig ook niets af te lossen, want zei hij: 'Nou kan ik altijd nog zeggen, dan heb ik óók een deel'.
Daar was hij trots op'.
Het wagenpark bestond na de aankoop van de nieuwe Ford uit twee auto's, want Watzes oudje uit 1936 deed ook nog dienst.
In het begin werd dit materieel eenvoudigweg op straat in het dorp geparkeerd, totdat de firma in juni 1948 overging tot de aankoop van een bovenhuis op de Skutebuorren in Tzummarum.
Onder het pand 'op 'e hoeke' lag een garage waarin een auto kon staan en waar later het kantoortje zou worden gevestigd.
Van meet af aan hadden de broers het druk met de zaak.
Er was werk in overvloed in deze opbouwfase.
Naast de melkrit voor de zuivelfabriek in Dronrijp, die de basisactiviteit bleef, werden koolrapen, aardappelen en bieten uit de bouwhoek vervoerd.
De voederbieten waren als veevoer bestemd voor de Greidhoek, de aardappelen werden opgeslagen en gesorteerd voor exportdoeleinden, terwijl de koolrapen vervoerd moesten worden naar de Groenten markten van Amsterdam en Den Haag.
De firma nam voor het eerst een chauffeur in dienst, die twintig gulden per week verdiende.
Dat was op 22 juli 1950.
Ook werden er legerkipauto’s met voorwielaandrijving, zogenaamde GMC's, aangeschaft.
Van de dump afkomstig, waren die bestemd om zand, grint, modder en puin te vervoeren voor de wegenbouw.
Er moesten ook grondkabels versleept worden.
Daarbij gingen de broers inventief te werk.
Een oude oplegger werd voorzien van een speciaal daartoe geconstrueerde lier om de rollen grondkabels, - 'ontiegelijk zware krengen waren dat'-, die naar Witmarsum, Achlum en de hele hoek hier moesten, op hun plaats te krijgen.
Uit deze bouwperiode is een mooi verhaal in omloop waarin de toenmalige burgemeester van Franeker, Jan Dijkstra, een cruciale rol speelt.
Watze: 'Dat weet hij nog wel, ja.
We reden met de kippers voor een nieuwbouwplan in Franeker.
Toen kwam die burgemeester eraan.
Hij dacht dat we met de grond de verkeerde kant opgingen, maar dat was niet zo.
Als hoofd van de politie ging hij zich ermee bemoeien.
Waar ik die grond heen bracht?
Hij rukte de deur van de kipper open en pakte mijn werkboekje... en toen zei ik: 'U moet van mijn spullen afblijven en als u me niet vertrouwt, dan...'. Het escaleerde.
Ach, je was ook altijd in een toestand van scherp.
Ik zei: 'Ik sodemieter je in het kanaal'.
Hij draafde met zijn fiets en ik draafde er achter aan.
En op het laatst mijn klompen uit en ik gooide zo de klompen achter hem aan.
Ik zou hem in het kanaal donderen en dat had ik ook zondermeer gedaan op dat moment.
Hij werd bang en vloog weg op zijn fiets.
Hij trappen, terwijl hij me achterna riep :' Jij gaat de gevangenis in!'.
Toen was ik weer bang natuurlijk, want ik dacht: daar gaat mijn broodwinning'.
Zo ver is het niet gekomen.
De hele geschiedenis liep met een sisser af toen burgemeester Dijkstra de volgende morgen met een doosje Willem II- sigaren in de hand vrede kwam sluiten.
Het voorval in Franeker maakt een ding goed duidelijk: het opzetten van een eigen bedrijf leidt tot grote (in)spanningen.
Het is een riskante onderneming, zeker als er geen enkel reservekapitaal achter de hand is om eventuele tegenslagen op te vangen.
Voor de gebroeders Althuisius was het alles of niets.

Er op of er onder.
Ze moesten altijd 'op scherp' staan en dat gaf een hoop spanning.
Watze: Je stond altijd onder druk, nou.
Er kon niks bijkomen op je investering.
Het was altijd op het randje, dus als er maar iets... dan had je maar één ding: het moest zoals jij het wilde, anders ging het verkeerd, anders kom je er niet'.