De broers

In januari 1947 stapte Watze als werknemer over naar het vervoersbedrijfje dat zijn beide oudere broers tezamen met een collega aan het opzetten waren.
Terwijl Sybren nog tot juni 1948 in Indi diende, was Broer als zelfstandig melkrijder in Franeker gaan samenwerken met een melkrijder uit Tzummarum, Jouke Spoelstra genaamd.
Op diens boerderij, op de Roordamaleane 1, stond in een schuur de enige bedrijfsauto gestald.
Watze die zijn eigen Ford inbracht, kwam nu in loondienst bij de broers en hun medefirmant Spoelstra.

Uit de eerste balans over de periode mei 1946- mei 1947 blijkt, dat hij daar zeshonderd vijfenzestig gulden verdiende.
De nieuwe firma hoefde over dat eerste boekjaar overigens geen ondernemersbelasting te betalen, omdat de bedrijfswinst nog geen duizend gulden bedroeg, zoals accountant L Bergsma uit Sneek had berekend.
Er moest stevig aangepakt worden door de jonge firmanten, die vele problemen kenden,bijvoorbeeld met het materieel.
Watze: 'Het was allemaal oud.
Ik kan je er wel verhalen over verrellen, dan krijg je tranen in je ogen'.
Als voorbeeld volgt het verhaal van chauffeur Lautenbach die met drie reservebanden en nog eens zes losse banden vanuit Bergum startte en zo op weg ging naar Sterovita op de Overtoom in Amsterdam waar de melk gelost moest worden.
En dan maar hopen en bidden dat hij op dit materiaal de hele rit kon uitrijden.
Anders rij je hem maar in het IJsselmeer', had Watze tenslotte in zijn wanhoop bij zoveel 'malleur' uitgeroepen.
Hij repareerde, veelal bij nacht en ontij, alles zelf.
Door grote rubberen manchetten in de lek gereden banden te zetten, probeerde hij de zaak draaiende te houden, een gigantisch zwaar karwei.
Daarbij kwam nog dat de winter van 1947/'48 zeer streng en lang was.
Dat leverde natuurlijk weer extra problemen op.
Alle melkbussen moesten over de sneeuw opgehaald worden'.
Daarnaast speelde ook nog de problematische samenwerking met Spoelstra.
Van begin af verhielden de broers zich niet zo best met hun medefirmant.
Een en ander leidde tot een prikkelbare stemming en grote onderlinge spanningen, die spoedig tot uitbarsting zouden komen.
En dan was daar de vermoeidheid, ook een factor van belang in deze beginfase.
Watze herinnert zich de lange werkdagen: 'Dan kn ik niet meer.
Het eten werd me in de slaap opgevoerd. Z moe! Dan weet jij nooit hoe verschrikkelijk moe wij waren.
Ik weet het precies! We stonden ook wel zo eventjes te slapen, of zo even op 'e knien.
Toen zijn wij me geweest! Maar we moesten verdienen, dat was een andere noodzaak dan nu.
We zaten ook altijd nachts op de weg, want dan verdienden we weer meer.
We pepten elkaar steeds op, Broer en ik: 'nog n rit', maar vaak konden we niet meer'.

Werk was er in overvloed voor de firma, zoveel zelfs dat ook de jongste Althuisius als mede-eigenaar kon worden opgenomen.
Maar die weigerde in eerste instantie : 'Ik wilde wl bij de broers wezen, maar niet met die Spoelstra erbij'.
De felle Watze, die nogal 'koart foar de kop' kon wezen, botste met de mentaliteit van Spoelstra.
'Wij waren alsmaar te werken.
Ik ging, - dat was alles uit zuinigheid -, eerst op de fiets van Berlikum naar Tzummarum, dat is zo'n achtenhalve kilometer.
Dan moest ik proberen die auto aan de gang te krijgen, wat niet zo gemakkelijk ging, want het was allemaal oud.
En als die dan liep, dan gingen we melkrijden, dat was om ongeveer zes uur 's morgens en dan kwamen we soms 's nachts pas weer tegen enen thuis.
Dat was regel normaal toen die winter.
En als wij dan oververmoeid thuis kwamen, dan had die man zijn eigen erf niet eens opgeruimd.
Dan was ik door lles heen woest!
Hij liet ons alle werk doen, maar deelde wel mee in de winst en wij kregen een hongerloon'.
Het zinde Watze van geen kant.
Er kwam ruzie: 'Geprikkeld doordat je zo vreselijk moe was, heb ik staan vloeken en tieren.
Ik werd z verschrikkelijk kwaad, dat ik op de tussendeur ben gaan staan bonken.
Toen heb ik gezegd:
'Er is n ding: Ik wil wl medefirmant worden bij de broers, maar hij deruit!'
Zo is het gegaan; anders was ik er niet bij geweest'.
Jouke Spoelstra werd uitgekocht door de firma voor een bedrag van negenhonderd gulden, de goodwillsom.