Wederopbouw

Na de roes van het bevrijdingsfeest werd pas goed zichtbaar hoezeer ook Friesland geleden had onder vijf jaren Duitse bezetting.
Er was niet veel meer over.
De provincie maakte een ontredderde indruk .
Watze: 'Er was hier niets, het was allemaal kaal en leeg: de bomen waren gekapt, er stonden geen plaatsnaamborden meer, er was zo wie zo geen enkel wegverkeer.
Ja, je zag een enkele fiets op cushionbanden rijden, maar dat was alles.
Wij zelf liepen allemaal rond op eigengemaakte en opgelapte klompen en we droegen van die witwollen schapentruien. die door alle vlooien erin zo ontiegelijk kriebelden'.
Voor heel Nederland en dus ook in Friesland gold in die dagen maar n doel: de wederopbouw.
Watze: 'We moesten vruit, opbouwen!
En ik wou aan het werk,toen al had ik het plan om voor mezelf te beginnen'.
Zijn tante in Heeg had hem het riante aanbod gedaan om na de oorlog haar boerderij, zijn oude onderduikadres dus, over te nemen.
War hij weigerde: 'Was ik nu hereboer geweest'.
Maar ik zei: 'Tante, dat kan ik niet aannemen.
Ik wil weer in het vak'. Dt trok me. auto's!'.

Om zijn doel te bereiken, meldde hij zich als chauffeur in loondienst blij Wopke Rinsma, melkrijder te Berlikum, die toentertijd alle melkvervoer verzorgde voor de Lijempf: de Leeuwarder IJs en Melk Producten Fabriek.
Deze Wop Rinsma was een oom van de al eerder genoemde Paulus Rinsma uit Welsrijp, aan wie vader Jan Althuisius zijn vrachtrijderij had overgedaan.
De nauwe samenwerking met de familie Rinsma zou later nog verder uitgroeien, toen de beide zoons van Wop Rinsma een garage bedrijf opzetten in Berlikum.

Terwijl Sybren nog steeds in Berlijn zat en Broer in Dronrijp voor de zuivelfabriek reed, verzorgde Watze voor zijn baas Rinsma de melkrit.
'Ik weet nog wel, dat was zmaar klaar: zeven dagen in de week melkrijden'.
Hij deed dat afwisselend met paard en wagen en de auto.
Probleem daarbij was wel, dat hij nog steeds geen officieel rijbewijs bezat.
De burgemeester in Wommels, de heer Van Houten, -'een boom van een vent'-, hielp hem voorlopig uit de brand door een bewijs te verstrekken: 'Dat ik in Friesland mocht rijden.
Dat ging toen allemaal anders dan nu'.
En toen het jonge echtpaar Watze en Geeske ook nog een oud, bijna onbewoonbaar verklaard huisje in Berlikum kreeg toegewezen, leek er geen vuiltje meer aan de lucht: de jongste Aithuisius kon gaan doen wat hij al zolang wilde, een zaak voor zichzelf opbouwen.
De kink in de kabel komt van rijkswege, als hij en de zojuist uit Duitsland teruggekeerde Sybren een oproep krijgen voor krijgsdienst in Nederlands- lndi.
Onze overzeese kolonie moest in die dagen immers verdedigd worden tegen nationalistische opstandelingen.
Ons land stuurde daartoe troepen dienstplichtige militairen, ook uit Friesland.

De familie Althuisius was van oudsher koningsgezind en gezagsgetrouw.
Pake Jan was al ver voor de oorlog lid van de Bijzonder Vrijwillige Landstorm, een semi- militaire organisatie, waarmee hij regelmatig op oefening ging.
Op het Haagse Malieveld heeft de Friese afdeling eens zelf de koets van koningin Wilhelmina getrokken.
Dat was in de woelige jaren na de Eerste Wereldoorlog tijdens een anti- koningshuis oproer.
Volgens de overlevering sprak haar voorman daarbij de historische woorden: 'Geen nood Majesteit, de Friezen zijn in aantocht!"
En ook moeder Wiepkje leefde vanuit de stelregel: als het moet, mijn bloed!
Alles opofferend voor koningin en vaderland.
Zij hield haar beide dienstplichtige zonen voor: 'Daar is je taak'.
Sybren ging, maar Watze bleef: 'lk wou nit! Ik wou gewoon aan het werk, hier, opbouwen'.
Begin maart 1946 werd hij opgeroepen voor dienstplicht in Indi.
Hij behoorde tot de eerste verplichte lichting, die van mei tot augustus de oorlogstraining volgde in Wezep.
Wanneer hij daarbij een longontsteking oploopt, ziet hij zijn kans schoon.
Om onder de krijgsdienst uit te komen, besluit hij zich te laten afkeuren door in hongerstaking te gaan.
Vanaf dat moment weigerde hij consequent alle voedsel, een hele opgave.
Watze.. 'Ja, dat was wel moeilijk, ja, zo direct na de oorlog.
Al die grote borden met eten te moeten laten passeren'.
Maar doordouwer als hij is, - 'wat moet, dat moet'-, lukt het hem.
Als hij verzwakt raakt en flauwtes krijgt, keurt de medische dienst in het Militair Hospitaal oog en Al te Utrecht hem tenslotte af.
Het is dan eind augustus 1946.