En nu gaan we terug naar mei 1918.
Vader en ik zijn toen bij Wierda opgehouden, ik heb al eerder in dit schrijven vermeld wat de reden was.
We zjn toen bij K.v.d.Weg gaan werken, ik was toen 14 jaar.
Mijn eerste werk was erwten wieden, met de houwer, ik was niet alleen, naast mij stonden onze buur Freerk Dijkstra, Iepe Zondervan, Bouke Hiemstra en Sietse de Jong, allemaal ar eerder vermeld.
Zondervan woonde toen in dat huis aan de oude meer, het stond op het land waar wij bezig waren.
Vader had toen een perceel bieten aangenomen, daar was hij mee bezig.
In de beide kamers van Theo woonden toen Sije van Dijk en Oepke en Geeske, de laatste had 2 kleine meisjes Klaasje en Minke.
Sije had een grote dochter in huis, en een dochter die verpleegster was, en een aangenomen jongen, die even oud als ik was.
Hij heette Willem Kaiser, de dochters waren, Johanna en Mina de verpleegster.
Deze beide mannen waren de vaste arbeiders.
Ze waren dan om de andere zondag vrij, en zodoende moest vader om de andere zondag ook melken, daar kreeg hij winteraardappels voor.
Er was nog een andere man die ook moest invallen, ik denk dat het sietse de Jong was, en later ook Minne Blanksma, die woonde toen in het huis, waar nu Kok woont aan de Hearewei.
Blanksma en zijn vrouw Aaltje hadden geen kinderen, zij was de oudste dochter van Bouke Spanjer en Luutske Terpstra.
Alle vier zijn ze hier begraven.
Ik heb gezegd dat vader ook zondagsmelker moest worden, maar ik heb er nog eens over nagedacht, maar dat klopt toch niet, de ander mannen, Minne en Sietse wel.
De eerste deed dat met Oepke en de tweede met Sije, zo is het.

wij moesten de winteraardappels zelf nazoeken, als het land na het rooien, bewerkt werd, eerst culteren en loof eggen, en dan ploegen, elke keer kwamen er weer knollen bloot.
Zodoende kregen we wintereten voor ons zelf, en de beschadigde en ook kleine, voor de geiten, en we kregen ook weer een paar stukken kant hooi, zelf maaien en hooi maken, vader had dan altijd Stainvoet, en die beide percelen tussen de vaart en de spoordijk, samen ongeveer 17 pondemaat.
Het eerste stuk werd door de geiten gemaaid, we hadden altijd 2 of 3 melke en ook nog 1 of 2 jonge geiten.
Zo hadden we in de zomer 's avonds na het werk altijd wel wat te doen.
Vader had ook altijd een paar akkers op de 3 pondemaat, die nu bij Hein v.d.Zee in gebruik is, die was toen bij Pieter de Haan in gebruik.

En nu weer over het werk bij v.d.Weg, die verbouwde soms nogal wat vlas, en zo moest er natuurlijk gewied worden, want het onkruid groeide ook.
We waren dan met z'n achten, 4 jongens en ook 4 meiden.
Dat waren Willem Kaiser en ik en Piet Reitsma en zijn broer Tjeerd en hun beide zusters Aaltje en Janke, en vervolgens ,Jeltje en Marie Zondervan.
De familie Reinder Reitsma was toen ook met 12 mei op het Zwart Huis komen wonen, dat was toen verkocht, en toen is Reinder eigenaar geworden, hij had toen gerfd werd er gezegd, hij kocht toen ook land uit het bedrijf van Lettinga uit Dijkshoek.

Dat land ging hij in het voorjaar bemesten met ruige mest, maar het was nog niet droog, en met de rijderij werd het eigenlijk vernield, met het ploegen liep het stijf om, en toen kwamen er vroege aardappels in.
Dat pakte verkeerd uit, want toen het begon te drogen, werd de grond spijkerhard, en de vrucht kon niet op gang komen, kortom het werd een strop voor de man.
Hij had altijd bij de boeren gewerkt, en nu zou het wezen, eigen baas worden, maar hij had nog niet begrepen, wat dat precies betekende.
Hij is toen nog een jaar doorgegaan, en toen had hij er genoeg van.
Hij is toen bij v.d.Weg gekomen.
Hij had anders wel een sterke huishouding.
Aaltje was de oudste, dan Piet, Tjeerd vervolgens Janke en er was hier nog een Neeltje bijgekomen.
Ze hebben nogal wat jaren op het Zwart Huis gewoond, maar ze zijn ik denk in 1922 vertrokken naar Holland, naar een grote zaadhandel S1uis en Groot in Enkhuizen.

De nieuwe bewoners van het Zwart Huis werden toen GeIf Gatses Bleker en Gelbrigje Jelles Rodenhuis, die toen pas getrouwd waren, zij waren de ouders van Gatze en, Jelle Bleeker, die nu in Tzummarum wonen.
GeIf begon toen met voermanswerk, een stuk of 4 paarden en hij kreeg ook nogal wat land in gebruik, en hij molk een tiental koeien in de stal en hij had ook een arbeider voor vast en verder wat losse krachten, want hij kreeg steeds werk erbij, ook omdat er in het dorp geen andere voerman was.
Monsma en Hoogland, die er vroeger ook waren, hielden er mee op, zij bepaalden zich bij hun eigen werk, ze hadden er beiden ook melkerij bij en ook nogal wat bouwland.
Er waren in die tijd nogal wat kleine landgebruikers hier in de buurt en er werden veel aardappels verbouwd en ook bieten, Waar veel paardewerk bij nodig was vooral toen de ruggenteelt er bij kwam.

Toen wij bij v.d.Weg kwanmen, waren het nog smalle akkers , 2,40 br. 4 planten dwars er op en een flinke voor er tussen .
Als de aardappels dan aardig omhoog kwamen, dan moesten ze flink los gemaakt worden, dat kon met de houwers, maar v.d.Weg had 3 wiedploegjes laten maken, daar werd de akker in n keer van boven los gemaakt, er waren 4 man bij, bij elk ploegje een man, en een jongen voor de 2 paarden, die elk in een voor aan weerskanten liepen.

De man die in het midden liep, moest dan voor de anderen lopen, dat werd geregeld door de koppeling aan de boom, waar de paarden aan trokken.
De ploegjes aan de kant, waren wat langer gekoppeld, dan konden de mannen zich wat vrijer bewegen.
Het was zo nog al een heel toestel, maar als de paarden het eenmaal gewend waren, dan ging het wel.
Om het eind wat makkelijk te maken, liet men er 1 of 2 akkers tussen liggen, dan was er meer ruimte om te keren, zo had men vlug de aardappels los.
Men ging dan later met de houwer de dwarse stukjes even doorslaan, dan was de bovenkant helemaal los.
De voren werden met een ander ploegje lostgemaakt, en de vorenploeg bracht de losse grond weer omhoog, zodat regenwater vlug kon weglopen.
Toen in de herfst gerooid moest worden, bleek het rooien veel gemakkelijker te doen dan anders.

1918 in de herfst heb ik voor het eerst achter de ploeg gelopen, Willem Sijes en ik werden met 2 paarden en een ploeg naar het stoppelland gestuurd, dat was geheel vlak land, en daar moesten wij gewone akkers van maken.
De boer ging eerst even mee, om ons uit te leggen hoe dat moest, wij moesten elk op zijn beurt de ploeg sturen.
We moesten bij de rechte kant beginnen, en dan kwam de rug eerst, 4 voren van de kant afgelegd worden, dan gingen we er 2 keer omheen, dan werd er weer rug gelegd, nu lieten we 6 voren liggen, en dan er ook 2 keer omheen, het ging eerst niet zo mooi, maar langzaamaan ging het al wat beter.
De boer wist wel wat hij deed, dan konden wij jongens het wat leren, het was eerst broddelwerk, maar later kwam de oudere ploeger er weer achteraan.
Zo ging het andere werk ook, met het hooien moest ik met Sije een wagen hooi opladen, opsteken was mijn werk nog niet, dus dan maar op de wagen, ik had wel gezien hoe andere mannen dat deden, dus maar es proberen.
De opsteker was een rustige oudere man, die mij zo nodig wel even een aanwijzing gaf,als het niet helemaal goed ging, maar de wagen kwam wel vol en in de schuur kwam hij ook.

Later toen het vlas getrokken was, en in de stuik stond, moest ik met Sietse de stoppel maaien met de zeis, dat gebeurde omdat er soms nogal wat onkruid, distels, stekels en melten rechtop stonden, en om de witte klaver wat ruimte te geven.
AIs het dan mooi weer was, dan droogde dat spul nog, zodat het hooi werd.
Dan werd het opgehaald, en in de jister bij het vee gebracht.

Zo ging het ook later met het loof van de aardappels, dat werd op een hoop gezet, op de singel, waar de paarden bij de bak met klaver stonden, bij de oude eik die er nu ook nog staat.
Als het erg nat werd, dan werd het loof bij de bak gestrooid, want we konden er soms niet met droge voeten bij komen, want de paarden zakten er diep in, het werd dan allemaal pap.
Als in de herfst de klaver in de stoppel wat gegroeid was, dan liepen de paarden's nachts in het land, en tussen schaft bij de bak, dan had men ze altijd dicht bij huis.

Toen in de late herfst het ploegen gebeurd was, werd de hele zaak op een hoop gezet, dan in het voorjaar kwam de zaak over de greide, even drogen, dan de ketting eg er over.
Er werd ook wel overtollig kaf over het land gebracht, als het kafhok vol was.
Daar werd eerst altijd, na het knopbreken, de lege knop ingebracht, verder tarwekaf dat eerst nog gezeefd werd.
In de winter kregen de paarden het kaf dan in de bak, het werd dan met water, en een liter of 10 melasse aangevuld en doorelkaar geschept, soms kwam er ook een beetje lijnzaad door, dat werd dan eerst even in kokend water gezet, dan werd het lijmerig, en de smaak werd ook beter.
De paarden kregen 3 maal daags een schep hiervan, er kwam 's morgens en 's avonds een beetje haver en een biet bij, verder kwam er witsstro en een plukje erwtestro bij , hooi werd er dan niet gevoerd, tot er weer gewerkt moest worden in het voorjaar.
Als in de herfst de bieten gerooid werden, dan kwam het blad, met de koppen, zo gauw mogelijk aan de hoop.
Er was een Vaste plaats voor, aan de reed, voor de mestplaats, daar was een kuil gegraven, de losse grond kwam dan op de kant te liggen, die kwan dan als de hoop klaar was er bovenop, maar het spul moest eerst goed bezakt wezen.
Als we met aanrijden bezig waren, dan werden er zo nu en dan 2 paarden op de hoop gebracht,om de zaak aan te trappen, dan begon de zaak gauw te broeien.
De hoop ging als er dagen lang aan gereden werd, al gauw zo hoog dat de ladder er bij moest om er op te komen, dan werd er een dag of wat niets bij gebracht.

v.d.Weg verbouwde meest 12 of 14 pondemaat suikerbieten, hij had bij de nieuwe fabriek aandelen waarop hij 120 ton moest leveren, maar meer mocht ook wel.
Voederbieten werden er ook verbouwd, meestal 3 4 pondemaat.
Het was te begrijpen, want de koeien die nog een plas melk gaven konden heel wat hebben, ze kregen dan per dag ieder een korf zoals ze bij de bieten die naar de fabriek ook gebruikten.
Als er nog vers bietenblad was, dan kregen ze zoveel ze konden verwerken en dan werden er geen bieten gevoerd.
Wel kwam er vaak een korf kaf of een vork gerstestro achteraan om de mest wat steviger te houden, want soms ging het over de groep heen, als er soms een koe hoestte vloog de zaak bij de muur op.
Maar er kwam wel melk in de bus, als het groenvoer op was, kon men het direct merken, dan verminderde de melk.
Dan kregen de dieren ook meer hooi, en kwamen de voerbieten aan de beurt, en werd de kuilbult aangepakt, er werden dan blokken gestoken, voor elke 2 koeien een klos.

Als het voeren begon, dan ging een man eerst voor de koeien langs met de bezem, om de stal schoon te vegen en de andere man, die ging achter de koeien het stroosel wat opschudden, en de mest, die op de stal lag in de groep schuiven.
Als dat klaar was, dan kwamen de bieten er voor, de melke dieren 1 korf met z'n tween, de verse oudere koeien kregen er nog wel eens wat bij.
De hokkelingen kregen een halve portie en de kalvers elk een paar hele bieten, er werden helemaal geen bieten gesneden, ze kregen zo nooit een brok in de keel.
Het moest eerst even wennen, maar verder niks geen last.

Toen het werk buiten afgelopen was, gingen de brakers in het hok en in de sehuur ging het dorsen beginnen.
Vader en ik hebben toen ook gebraakt, de laatste winter bij Wierda ook al, zodat het voor mij niet de eerste keer was.
Er was dan in de herfst de mogelijkeid voor jeugdige personen om gratis een borstonderzoek te laten verrichten door een dokter.
Ik was toen 14 jaar, vader ze daar moet je maar even heen, want je weet het nooit, maar de dokter had geen aanmerkingen, ik kon mijn gang wel gaan, maar niet te lange dagen maken.

We zijn 10 november 1989 als ik dit schrijf.
Verleden week stond er een overlijdensbericht in de krant van Jasper Travaille, hij was 86 jaar geworden.
Die was toen ook bij de dokter, hij is 60 jaar getrouwd geweest, en later brandstofhandelaar in Minnertstga geworden, samen met zijn zwager Johannes Vogel, die is ook al wat jaren dood.
Op 8 november 1989 is er in Tzummarum overleden Pieter Scheltes Hamersma, hij was de oudste zoon van mijn oudste neef, hij was maar 11 jaar jonger dan mijn vader.
Pieter woonde nu met zijn broer Ulbe in een bejaardenhuisje, bij Nij Bethani.
Zij waren thuis bij zijn ouders met 4 broers, zijn broer Klaas de tweede, is al jaren eerder gestorven, zij woonden toen nog aan de Heareweg, in een gemeentewoning, waar hun ouders ook woonden, die zijn daar allebei overleden, eerst moeder Trijntje en in 1963 vader Schelte.
De derde zoon Sikke was toen al getrouwd.
Sikke is ook soldaat geweest, en daar heeft hij zijn vrouw ook gevonden.
Toen hij de dienst achter de rug had, zijn ze getrouwd en ze woonden toen in de Koornsteech, geloof ik.
Hij was toen eerst vaste arbeider bij P. Miedema op de Hogezijl, dat heeft hij nog een tijd volgehouden.
Later is hij los arbeider geworden, net als zijn andere broers.
Ik heb het geschrevene over deze Sikke nog eens nagelezen, en ik heb hier een fout gemaakt, toen hij na de dienst, weer bij zijn ouders kwam, is hij eerst los arbeider ggworden.

Er was toen een koppel mannen, die gezamenlijk de boer opgingen, vlasplokken, aardappelrooien en bieten onderhouden en rooien.
Boeren die niet veel vaste mensen hadden, en ook wel gardeniers, die in korte tijd een heel perceel naar de veiling wilden brengen, dan was dat makkelijk, om de koppel even te halen.
In de winter dan was het voor de mannen minder, dan was er werk te kort.
Sikke die ook kon melken, kwam toen als noodhulp bij P.Miedema, en later werd hij voor het hele jaar vast.
Dat heeft hij een aantal jaren volgehouden.
Zijn gezin was in die tijd al flink gegroeid, hij had 4 jongens gekregen, die allen al naar school gingen.
Het was in het begin van de 50 er jaren, toen de Hoogovens in Holland in bedrijf kwamen, en er overal mensen gezocht werden, vooral jonge mensen met aankomende jongens, hoe meer hoe liever.
Sikke heeft zich toen aangemeld, en dat is gelukt.
Hij is daar tot zijn pensioen gebleven nooit een andere baas gehad.

In het laatst van de jaren 70 heb ik Sikke nog gesproken, dat was op het 50-jarig huwelijksfeest van Haaie Westra en Renske Hogenhuis, ook een nicht van ons, die buren van elkaar waren geweest daar in de Koornsteech.