Foto: Een 19de eeuwse plaat uit Hofdijks boek over de kloosterorder.
Zo ongeveer moeten Tryn Sipkes en zuster Magdalene er uit hebben gezien.

Bagijntjes en kwezelkens dansen niet....
In 1581 was er te Bolsward een zamenzwering.

De Bagijnestraat te Leeuwarden kennen wij, maar dat er bijvoorbeeld ook in Tzummarum, Staveren en Bolsward Grauwe Bagijnen hebben gewoond is minder bekend.
Toch is dit inderdaad het geval, al moeten wij al dadelijk verklaren dat er heel weinig van deze in grijskleurige wol gehulde 'religieuze vrouwen' bekend is.
Het vreemde is dat ieder wel de naam kent van die maagden of weduwen die zonder een bepaalde kloosterbelofte te hebben afgelegd, half in half buiten de wereld geleefd hebben, maar dat men ook niet veel meer weet.
Ze worden in een oud volksliedje tezamen met de kwezelkens genoemd en dat is natuurlijk voor de Bagijnen niet zo leuk.
Wie gaat er nu graag voor kwezelachtig door?

Dat de bagijntjes niet voor een ei, zelfs niet voor een koe of paard wilden dansen, maar bezweken als haar een man werd aangeboden, betekent dat aan deze vrouwen niets menselijks vreemd was, maar misschien toch ook dat ze niet zo populair waren.
De bagijnen heetten wel vroom te zijn maar ze waren het slechts tot op zekere hoogte, althans verschillende van haar.
De gelofte van kuisheid en gehoorzaamheid hadden ze afgelegd.
Naar de 'meysterke' en de pater, die aan het hoofd stond moest geluisterd worden en dat gebeurde meestal ook wel, maar er was iets broeierigs in het leven der bagijnen.
Soms was hun vroomheid zo erg dat het de mensen als overdreven moest voorkomen.
Maar dan bleek ineens, dat ze er ook met een man van door konden gaan.
Je kunt er om lachen, maar ook treuren.
Want de bedoeling was oorspronkelijk heel anders geweest.

Hoe het begon

Zo omstreeks 1200 moet er, mede als gevolg van de Kruistochten, een behoorlijk vrouwenoverschot zijn geweest.
Dat bracht vele jonge vrouwen en ook weduwen ertoe het klooster op te zoeken.
Het waren niet de minsten die dit deden, want het klooster had voor nu en later een functie.
Er is onderwijs gegeven, de ziekenzorg heeft er een impuls gekregen.
Echter de kloosters hadden niet overal meer die goede naam die ze aanvankelijk hadden.
Er waren vele verschijnselen van verval.
Een daarvan was de oppervlakkigheid.
Ook toen is er de roep geweest om een ethisch reveil.
Dit te meer, omdat het in de wereld ook niet zo mooi toeging.
De Kruistochten brachten verruwing mee, ook weeldezucht.
De mensen heetten wel christelijk, maar hoe weinigen leefden, zoals Christus het had gewild: eenvoudig en sober, in, maar niet van de wereld.
In die dagen krijgt het ideaal van de armoede weer inhoud.
Men had geen vrede met de ellende die de ene mens de andere aandeed.
Die armoede was nu juist niet wat Christus wilde.
Nee, men beoogde iets anders: niet opgaan in de dingen van de tijd en niet jagen naar macht en geld, de uiterlijke rijkdom die de bovenlaag kende, maar de onthechting en het simpele leven waarvan in elke tijd vol uit spattingen gedroomd wordt.
Klassenstrijd?
Nee, dat was niet dadelijk de bedoeling.
De maatschappelijke orde stond vast.
Zoals de rijken leefden mocht het echter ook niet.
Het is opvallend, dat het armoede-ideaal vooral bij de mensen uit hogere kringen begint te leven.
Vooral uit de bovenlaag der bevolking kwamen de 'pauperes Christi', de armen om Christus’wil.
Franciscus van Assisi is een van hen, misschien wel de grootste.
In het de minste willen zijn leeft het protest tegen de schijnbeschaving.
De geschiedenis herhaalt zich.
Ook in die dagen zullen velen hebben gezegd: Houdt het klein, wees milieuvriendelijk!
Zoals Franciscus zijn 'broeder boom' kende, zo hebben ook mensen die niet dadelijk tot de 'fratres minores' (de minderbroeders) gingen behoren, ook gezocht naar het verloren paradijs, dat toch 's mensen bestemming was.
Niemand weet precies, waar de naam bagijn of begijn vandaan komt.
Wij weten enkel dat er in ltalię, in wat nu Belgié heet en in het Rijnland na 1200 vrome vrouwen komen, die eerst voor zichzelf het besluit nemen de verlokkingen en gevaren der wereld te vermijden en zich soms laten insluiten (rekluzen). of ook een klein groepje vormen van niet dadelijk geordende religieuzen, die vaak in de buurt van een kerk, een leprozen-. pest- of ziekenhuis een soort kloosterachtige samenleving beginnen, zonder toch kloosterling te zijn.
Ze stelden hun bezit beschikbaar maar hielden eigendomsrechten.
Zij gingen uit de wereld, maar konden er elk ogenblik in terugkeren.
Zij waren met haar eigen ziel bezig, maar stelden zich tegelijk beschikbaar voor de ander, vooral voor de lijdenden.

Tussen heilige en ketter

Zoals nu al het nieuwe allereerst op de buitenkant wordt beoordeeld en meestal eerst ook wordt bestreden als rustverstorend. zo was het steeds. De eenvoudige, in grijs gewaad gehulde vrouwen hebben dit ook ervaren.
De hogere geestelijkheid wilde geen nieuwe kloosters meer en zag met argwaan naar mensen als Frans van Assisi en Petrus Waldes van Lyon en naar al die anderen, die het Andere wilden.
'Ketters fluisterde men en het duurde maar even of het werd luidop gezegd.
Ook de bagijnen zijn als ketters beschouwd (concilie van Vienna. 1312) en velen hebben zich daarom bij de derde orde van de vrouweIijke Franciscanen aangesloten.
Er waren echter ook anderen, en op den duur ging men deze zusters van barmhartigheid toch waarderen.
Ze bedelden niet. ze verzamelden niet de schatten der aarde.
Ze deden haar werk. Werk. dat vele ellendigen ten goede kwam.
Zo zijn vooral in België, maar ook in Nederland, in Friesiand de begijnhoven gegroeid, waarvan het Amsterdamse grote bekendheid kreeg.
De vrouwen woonden met twee of drie tezamen in huisjes rond een hof en in die hofstond een eigen kapel.
Vele steden kregen in de 14de en 15e eeuw twee, drie van zulke bagijnhoven.
Het waren oorden van rust en toch vol bedrijvigheid, met echte vroomheid en, natuurlijk, ook met vreemde uitwassen.
Het Bolswarder klooster heette dat van de Heilige Geest.
Wij weten niet, wanneer het er gekomen is, of het als zovele andere Friese kloosters ook rijk is geweest, hoevele en welke vrouwen er woonden.
De 17de eeuwse kaart laat een kerkje aan de stadswal zien, bij de oude St. Jans- of Noordrpoort.
Het klooster stond dichtbij de Bolswarder Oldehove.
Heilige vrouwen hebben er gewoond en ook kwezels, vrouwen, die zelfs voor geen man gingen dansen, die juist voor de mannen op de vlucht gingen.
Anderen waren er evenwel ook, zelfs ketters.
'Het is zalig te werken, zei de bagijn, maar ze deed het niet graag'.
'Allemaal mensen, zei de begijn, en zij zoende de pater'.
Een lekker brokje heet nog in de volkstaal 'een begijnenstukje' en dat zal wel zijn reden hebben.
De spreekwijzen geven - het zij nog eens herhaald - de ene kant.
Zij wijzen op luiheid en weelderigheid.
Dat komt ook doordat men in de eeuw der hervorming, de 16de eeuw, de rijke en machtige kloosters is gaan haten.
De Hervorming mag niet alleen als klassenstrijd worden gezien.
Verzet tegen de economische macht der Friese kloosters, die iets minder dan de helft van het land bezaten en vaak verwaarloosden, heeft wel een rol gespeeld.
Bovendien waren de kloosterlingen Rooms en dus werden zij verdacht van heulen met de landsvijand.
De bagijnen, die dat misschien het minst verdienden, hebben de volkshaat mee moeten voelen.

Een verslag uit 1581

Toen de Hervorming hier in 1580 doorbrak was nog maar een minderheid van het volk Gereformeerd.
Te Bolsward en in de omgeving van de stad, in het hart van Westergo, woonden evenals nu vele Roomsen.
Vandaar dat de strijdbare Gereformeerden de ogen open hielden.
Voor je het wist was zo’n stad weer in handen van de vijand.
Het Bagijnenklooster lag ook allerongunstigst, dichtbij de St. Janspoort.
Men hoefde in de nacht maar een bezetting over de stadsgracht te halen of door de poort binnen te laten en het was te laat.
Zo best stond het er in het Zuiden niet voor, waar de bekwame Spaanse landvoogd Parma grote vorderingen maakte en na de val van Doornik ineens Breda had verrast, en zo de weg naar het Noorden geopend.
De Gereformeerde minderheid te Bolsward heeft het gevaar gezien en daarom het centraal gezag te Leeuwarden gewaarschuwd.
Zo kwam begin juli de Landdagafgevaardigde Ada (Eade) Harkema poolshoogte nemen en speciaal de situatie in en om het klooster bekijken.
Wij hebben het origineel van zijn uitvoerig verslag nog, en weten dus, dat in de ogen van verschillende Bolswarders het klooster een broeinest was, waar de Spaansgezinden in en uit liepen.
Het was een soort hoofdkwartier, want behalve de pater die de leiding van het klooster had, verbleef er ook zijn collega van het klooster Aengium bij Berlikum en kwam er geregeld de proost van een ander Bolswarder klooster, dat der Witheren op het Zandt.
Die drie lieden (slampampers noemt een getuige hen)conspireerden.
Deze getuige Claes Jansen, 'een vroom welvermogend burger binnen Bolswerdt olt ontrent 65 jaren', wist heel goed, en anderen bevestigden dat, 'datter nijet guets getractiert wort, oeck tegent gemene beste tot quader intentie ende consequentie'.
Vele suspecte burgers hebben sleutels van het convent en gaan dag en nacht daar in en uit.
Vlakbij het convent, het klooster, is een sterke dwinger, waarop kannonnen staan.
Met 30, 40 man kon men het klooster veroveren en dan 'de viant' inlaten.
Er kwamen dagelijks verdachte personen in de stad, een soort 'vijfde colonne', die wie weet hoe gauw de aanslag zouden ondernemen.
Tegen de kloosterleiding wordt niet enkel ingebracht dat ze mogelijke verraders zijn.
Het gaat er ook verder raar toe.
Een oude begijn, Tryn Sipkes, die al zo'n 45 jaar in het klooster had gewoond en hard had gewerkt, had een Gereformeerde dienst bijgewoond (ze dacht misschien oekumenisch!) en was zonder meer uit het klooster gezet.
Een ander inwoonster, Magdalena, die wat 'simpel, slecht ende onnosel' was hebben ze' nu met kinde gemaket'.
Ze was hoogzwanger uit het klooster getrokken.
Er werd duchtig gedronken en van de ongeveer 25 zusters die nog over waren, waren er velen, die liever uit het klooster trokken, als ze maar niet opzagen tegen de armoede, die haar wachtte.
Ada Harkema ondervroeg 9 getuigen en wist toen genoeg.
Parma had Breda bij verrassing genomen, maar dat zou hier niet gebeuren.
In het klooster konden wel 200 of 300 soldaten geherbergd worden.
Zelfs in het stadsbestuur zaten er Spaansgezinden.
De Staten hebben toen korte metten gemaakt.
Op de kerk na werd alles over hoop gehaald.
De kerk, die bleef, had een eigenaardige geschiedenis.
Het 'klein klooster', zoals de rest werd genoemd, diende voortaan tot stadsmagazijn, voor de berging van turf.
Het kleine garnizoen, dat Bolsward in de 17de en 18de eeuw had, gebruikte de kerk als kazerne.
Vlakbij was een herberg.
Zo heeft het gebouw, dat eenmaal de plaats was waar een vijftigtal bagijnen haar vroomheid en haar onvervulde wensen uitten, het bestaan tot 1901 gerekt.
De St. Janspoort was toen ook al lang verdwenen.
Bolsward sloeg de vleugels uit.
De begijntjes en kwezelkens dansten ook later wel door Bolswards straten, maar niet meer in het oude grauwe habijt.

J.J. KALMA
Friesland post juni 1979.