Tzummarum (blaaspijp ijzersmelterij)

RESTEN KLOOSTER LIDLUM BIJ OOSTERBIERUM ONDER SPOORBAAN GEVONDEN.

Put getuigt van armoede:
De Ned. Heidemij is thans bezig de oude spoorbaan door Barradeel weer in cultuurland om te zetten.
De aarden baan wordt daartoe geŽgaliseerd, wat veel grondverzet met zich meebrengt.
Tussen Oosterbierum en Tzummarum is men daarbij op kloostermoppen gestoten, die de resten van een waterput en zelfs een meer dan 1.5 meter brede muurfundering vormden.
Put en muur zijn kennelijk afkomstig van het middeleeuwsklooster der Witheren: Lidlum.

Dank zij de waarschuwing van de Ned.Heidemij en ook van de betrokken arbeiders zelf aan de heer G.Elzinga, archeoloog van het Fries Museum, kon deze de vereiste waarnemingen verrichten.
De kosten hiervan werden gedragen door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek.
Een controle van het terrein leerde dat waarschijnlijk de noordelijke uitlopers van het kloostercomplexzijn gevonden, terwijl de sporen inde wand van een nieuw gegraven sloot aanwijzingen voor een dubbele omgrachting opleverden.
De waterput is leeggehaald, waarbij enige interessante vondsten aan het licht kwamen, die alle uit de vijftiende eeuw dateren.
Het zijn de resten van rood aarden steelpannen, een grote voorraadpot en een voorwerp dat al sinds eeuwen zijn nut aan het mensdom heeft bewezen, nl. een kamerpot.
Verder kwamen o.m. een ijzeren spade en scherven van middeleeuwse glasruiten te voorschijn.
Ook beenderresten zijn gevonden, o.m. van kippen; zelfs bleken in de modder, die op de bodem van de put lag, talrijke resten van eierschalen bewaard te zijn gebleven.
De inhoud van de put wijst erop, dat deze niet tot het rijkste gedeelte van het kloostercomplex heeft behoord, mar tot het gedeelte waar de eenvoudigste monniken gehuisd zullen hebben.

De vondst is bovendien interessant, omdat hiermede bewezen wordt dat niet alleen het hoogste deel van de Kloosterterp ten zuiden van de spoorbaan bebouwd is geweest, maar ook het ten noorden van de lijn gelegen lage gedeelte.

Het klooster Lidlum heeft een rijke en veelbewogen geschiedenis.
In 1182 enkele honderden metersmeer naar het noorden (Kapelleterp) gesticht, werd het in 1233-í34 naar de thans als Kloosterterp bekend staande plaats overgebracht en in gele baksteen opgetrokken, die uit Baijum afkomstig was.
Men vermeld dat het geheel na vele tientallen jaren van bouwen en uitbreiden een groot vierkant vormde en verschillende afdelingen rijk was.
In 1289 telde het 600 bewoners, terwijl het in 1333 tot de grond toe afbrandde.
De herbouw kostte vele jaren, zowel in geestelijke (een bibliotheek) als in materiŽle zin (kostbaar vaatwerk voor de eredienst).
In de 15de eeuw werd het klooster, dat een dochterklooster van MariŽngaarde bij Hallum was, slecht bestuurd en heerste er armoede, die zelfs honger voor de kloosterlingen ten gevolge had.
Rond 1500 werd het een prooi van woelingen en gebrandschat.
Tenslotte moest het in 1580 aan de Staten worden overgedragen, nadat het in 1872 nog eens door de Geuzen was geplunderd.
Een centrum van geestelijk leven en cultuur had wel een roemloos einde gevonden!

De naam bleef echter behouden en thans heeft het toeval ons een kijkje gegeven in het dagelijks leven van de 15de eeuwse kloosterbroeders.
De inhoud van de put, armelijk, is wel in overeenstemming met wat de geschiedenis ons over die periode verhaalt!

L.C. 31-03-1961