Tzummarum Kapelleterp (blaaspijp ijzersmelterij)

DE ATLASSEN ALS BRON VOOR DE NEDERZETTINGSGESCHIEDENIS.

A. KLOOSTER LIDLUM
Een belangrijke abdij
De Premonstratenzer abdij Lidlum. in het Latijn Vallis Sancte Marie (MariŽndal) genaamd, was een van de grootste en rijkste kloosters van middeleeuws Frysl‚n.
Ten tijde van de opheffing. anno 1580. beschikte het over een grondbezit van meer dan 1.000 ha.
Tellen we daar de goederen van de oorspronkelijk met Lidlum verbonden nonnenpriorij Monnikebajum bij, dan komen we zelfs uit op bijna 1.600 ha cultuurgrond in het meest vruchtbare deel van Westergo, met zwaartepunten in noordelijk Barradeel en de omgeving van Winsum en Tzum.
Daarmee kwam Lidlum op de tweede plaats in Westergo, kort na het jongere CisterciŽnzer klooster Bloemkamp bij Hartwerd (1.200 ha). maar vůůr de oudere Augustijner koorherenabdij Ludingakerke onder Midlum (950 ha).
Het aanzien van een klooster werd zeker niet alleen bepaald door de omvang en opbrengst van zijn bezit, maar deze speelden wel een belangrijke rol.
We kunnen ons daarom voorstellen dat de kromstaf van de abt van Lidlum zeer ver heeft gereikt, te meer als we weten dat de abdij na verloop van tijd de verantwoording droeg voor de aanstelling van pastoors in niet minder dan negentien parochies.
Vele Lidlumer priesterbroeders waren actief als zieleherder in belangrijke dorpen als Tzummarum, Winsum, Menaldum en Berlikum.
We noemen hen geen monniken maar kanunniken (koorheren), omdat ze zich anders dan monniken ook buiten hun klooster mochten bewegen om aan zielzorg te doen.
De stichting wordt doorgaans gedateerd op 1182.
Dat was volgens de schrijver van de bewaard gebleven abdij kroniek, Sibrandus Leo, het jaar waarin de eerste kerk werd gewijd.
We kunnen er echter van uitgaan dat de aanloop zich eerder heeft voltrokken.
Sibrandus Leo plaatst de kerkwijding namelijk in de context van de aansluiting bij de orde van Prťmontrť.
Volgens hem hebben de initiatiefnemers voor hun spontaan begonnen leefgemeenschap eerst begeleiding gevraagd en gekregen van de Augustijner koorheren van Ludingakerke.
Die initiatiefnemers waren de vermogende leken Sibo van Lidlum en Tjalling Benneterp uit Winsum.
Zij waren na enige tijd ontevreden over de patronage door Ludingakerke en kozen voor de inmiddels als veel strengere bekend staande en daarom in hun ogen effectievere leefwijze van de Premonstratenzers of Norbertijnen, die in het toen nog jonge klooster MariŽngaarde bij Hallum werd gevolgd.
De naam Prťmontrť verwijst naar de moederabdij van de orde, bij Laůn in Noord-Frankrijk; die van Norbertijnen naar de stichter: de bekende Norbertus van Xanten.
1182 was waarschijnlijk dus tevens het jaar van opname van MariŽndal in de orde van Prťmontrť, als eerste dochterklooster van MariŽngaarde.
De Lidlumer gemeenschap bestond aanvankelijk uit zowel mannen als vrouwen.
De orde van Prťmontrť gebood echter een strikte scheidingvan de bokken en de schapen, wat er toe leidde dat voor de zustertjes nieuwe gebouwen elders moesten worden opgetrokken.
Zo ontstond in 1186 het vrouwenklooster Sint Michielsberg te Monnikebajum.
Het bleef in geestelijk en (tot het midden van de 15de eeuw) vermogensrechtelijk opzicht steeds ťťn geheel vormen met Lidlum.
De abdij werd overigens niet gesticht op wat we nu kennen als de kloosterterp Lidlum.
De eerste kerk met de bijbehorende gebouwen verrees even noordelijk van de weg tussen Oosterbierum en Tzummarum, niet ver van de Oude Zeedijk.
Getuige de naam MariŽndal kan de oorspronkelijke woonstee daar niet echt hoog zijn geweest.
Omdat het klooster er regelmatig te lijden had van overstromingen, besloot abt Sibod te verhuizen en een nieuw complex op te trekken op een meer verheven plek, verder van de zee verwijderd.
Vermoedelijk was de naam Lidlum juist aan deze terp verbonden, wat zou betekenen dat het klooster eerst sinds het jaar van de verhuizing, in 1234, deze naam kreeg.
Het oude klooster werd nadien gebruikt als agrarische uithof.
Over de geschiedenis van Lidlum zijn we goed ingelicht dankzij de al genoemde kroniek van Sibrandus Leo.
Sibrandus Leo was kloosterling van Lidlum.
Hij stierf in 1583 op 54-jarige leeftijd.
Volgens zijn voorwoord presenteerde hij zijn geschiedwerk in oktober 1575 aan zijn overste, abt Johannes Geelmuiden, in wiens opdracht hij het ook had geschreven.
Het werk is geordend naar de bestuursperioden der abten en staat daarom ook wel bekend als de 'Abtenlevens van Lidlum en MariŽngaarde'.
Het deel over Lidlum is het uitvoerigst.
De auteur zegt dat hij voor de oudere periode heeft geput uit een - verloren gegane - kroniek van een kanunnik Liudulfus.
In het algemeen wordt het werk van Sibrandus Leo gewaardeerd als kritisch en betrouwbaar.
Veel van zijn aandacht gaat uit naar de bouwgeschiedenis, waardoor Lidlum tot dusver al gold als het qua bouw best gedocumenteerde klooster van Frysl‚n.
De kroniek van Sibrandus Leo en de Robles-kaarten.
De recent gevonden Robles-kaarten bieden een prachtige mogelijkheid de voorstelling van Sibrandus Leo te toetsen.
Andersom kunnen we aan de hand van Sibrandus Leo ook proberen de betrouwbaarheid van die Robleskaarten na te gaan.
Naast de inmiddels gepubliceerde kaarten uit Dresden (in het platte vlak) en Austin (in vogelvlucht) hebben we sinds kort de be39 I schikking over een kaart uit MŁnchen, die sterk lijkt op die uit Austin.
In alle drie de gevallen betreft het een kaart waarop het kloosterterrein van Lidlum als militaire versterking wordt weergegeven.
Zoals bekend heeft 's konings stadhouder Caspar de Robles Lidlum in 1572 laten bezetten en versterken om zichzelf een betere machtspositie te verschaffen in zijn strijd met de geuzen.
Sibrandus Leo maakt in zijn kroniek uitgebreid melding van die voor de kloostergemeenschap onaangename episode.
Het zou te ver voeren hier de hele ruimtelijke structuur van de abdij, zoals beschreven door Sibrandus Leo, in detail te reconstrueren en te confronteren met de voorstellingen op de Robles- kaarten.
We beperken ons tot drie hoofdpunten. Ze betreffen de oriŽntatie van de kerk met de kloosterhof en de daarop aangesloten gebouwen, de ligging en opbouw van de zogenaamde abtshof, en de situering en vorm van de grote kloosterschuur.
Wat de kerk betreft stuiten we dan meteen op een probleem.
Het godshuis blijkt op de plattegrond uit Dresden namelijk noord- zuid te zijn gericht in plaats van oost- west.
Dat kan absoluut niet kloppen.
In de Middeleeuwen waren vrijwel alle kerken letterlijk 'georiŽnteerd', dat wil zeggen met koor en absis naar het oosten gericht.
Slechts bij uitzondering vindt men in steden of berglandschappen wel eens een andere oriŽntatie, maar in het geval van Lidlum, waar de bouwmeester het klooster in 1234 op een 'maagdelijke' terp kon aanleggen, was geen sprake van afwijkende omstandigheden.
We moeten aannemen dat de kloosterkerk hier oost- west gericht was met het pandhof ten zuiden en daaromheen gegroepeerd de normale kloostergebouwen als de sacristie, de kapittelzaal, de slaapzaal (dormitorium), de eetzaal (refter), de keuken en de verwarmde ruimte (calefactorium).
De afbeelding op de vogelvluchtkaarten strijdt daar niet mee, omdat de kerk daarin, samen met de abtshof en de schuur, een achtste slag gedraaid is om haar in perspectief te zetten.
De bedoeling daarvan is duidelijk.
Het ging de militaire tekenaar erom de drie hoogste en meest markante gebouwen in beeld te brengen met het oog op de herkenning van verre.
Het meest intrigerend is het middelste van die drie gebouwen: de grote, van een trapgevel voorziene stins aan de oostzijde van het terrein, pal naast de gracht.
Een dergelijk gebouw past niet vanzelfsprekend in een kloosterlijke omgeving.
Het lijkt wel vier verdiepingen te tellen.
Slaat men de kroniek erop na, dan wordt meteen duidelijk om welk bouwwerk het gaat.
Het is het versterkte abtenverblijf dat door de abt Pibo Sibranda (1309- 1325) op eigen kosten werd opgetrokken.
Sibrandus Leo benadrukt dat het zich in hoogte van de andere gebouwen onderscheidde, zodat het van veraf te herkennen was: 'Spectabiles abbatis aedes, prae caetelis celsitudine conspicuas, valida apere erectas propliis curavit extrui redditibus'.
Dat dit steenhuis direct aan de kloostergracht grensde, blijkt uit Sibrandus Leo's relaas over de overval op het klooster door de Roorda's in het midden van de 15de eeuw: Johannes Roorda c.s. voer met een schip vanuit Tzummarum uit oostelijke richting de kloostergracht op, brak de deur van de abtshof open, sloeg de vensters in en drong het slaapvertrek van de abt binnen zonder dat ťťn 40 I broeder een hand kon uitsteken: begrijpelijk omdat de abtshof ver van de conventsgebouwen verwijderd lag.
Ruim een eeuw later, in een tijd van agrarische hoogconjunctuur begin jaren vijftig, liet abt lsbrand van Harderwijk de abtshof verder verfraaien.
Het gebouw bevatte toen in ieder geval een keuken, een ontvangvertrek, een aantal slaapvertrekken en een grote zaal.
De conclusie moet zijn dat het vanaf het begin bedoeld was om het aanzien van de Lidlumer prelaten uit te stralen.
Dat vinden we op fraaie wijze bevestigd in de tekeningen op de vogelvluchtkaarten.
Eveneens daarin bevestigd wordt de uiteenzetting van Sibrandus Leo over het grote agrarische bedrijfsgebouw dat we op die kaarten op de zuidoostzijde afgebeeld zien.
De reeds genoemde abt lsbrand liet volgens hem tussen 1553 en 1556 een schuur bouwen zoals men nog nooit tevoren in Frysl‚n had gezien: een schuur die vee, hooi en koren onder ťťn kap kon bergen.
Door landbouwhistorici wordt deze vermelding altijd aangehaald als het erom gaat de 16de eeuwse innovatie van de bedrijfsgebouwen nader te dateren.
Archeologisch veldwerk en de Robles- kaarten
Om de lokatie van de gebouwen en de vorm van het kloosterterrein, zoals afgebeeld op de Robles- kaarten, precies ruimtelijk te toetsen is archeologisch onderzoek nodig; archeologisch onderzoek dat omgekeerd weer mogelijkheden biedt in detail de zeggingskracht van de kaarten en ook de kroniek nader vast te stellen.
Om een aanzet daartoe te verkrijgen hebben de provincie Frysl‚n en het Ryksargyf eind 1997 het archeologisch adviesbureau RAAP opdracht gegeven veldwerk op het kloosterterrein te verrichten.
Dit leverde informatie op over de terp van Lidlum, de ruimtelijke inrichting van het klooster en de aard van de versterkingen die in 1572 moeten zijn aangelegd.
Ten behoeve van het veldwerk zijn de Robles-kaarten eerst met de oudste en huidige kadastrale kaarten vergeleken.
Hieruit kwam naar voren dat het huidige, ietwat taps toelopende perceel waarbinnen de terprest ligt waarop Eekhoff het klooster situeert, het grootste deel van het kloosterterrein moet omvatten.
Door projectie van de plattegrond van de Dresdener kaart op de huidige kon de lokatie van verschillende gebouwen, muren en grachten bij benadering worden bepaald.
Oude hoogtemetingen werden met behulp van een computerprogramma verwerkt tot een hoogtelijnenkaart die kon worden vergeleken met die van het huidige reliŽf.
Booronderzoek bevestigde de juistheid van de projectie en leidde samen met het weerstandsonderzoek tot de volgende conclusies ten aanzien van achtereenvolgens de terp, de versterking van het terrein in 1572 en de situering van het kloosterterrein in engere zin.
Wat de terp Lidlum betreft, mag op grond van de hoogtekaarten worden aangenomen dat deze ongeveer driekwart van het kloosterterrein besloeg.
Dit betekent dat de meeste kloostergebouwen op de terp stonden.
Alleen de grote schuur staat te zuidelijk om nog op terplagen te zijn opgetrokken.
Tijdens het veldwerk werden enkele scherven uit de Merovingische periode geborgen (ca. 525-750), waarmee waarschijnlijk is dat de terp veel ouder is dan het klooster en zich moeiteloos voegt bij de meeste andere grote terpen van het voormalige Barradeel.
De westelijke helft van de terp is overigens grotendeels afgegraven.
De oorspronkelijke terp was hoger dan het huidige restant doet vermoeden.
De versterkingen van 1572 lijken op alle drie de Robles- kaarten zo op het eerste gezicht te bestaan uit bemuurde bastions.
Boringen ten zuidoosten en zuidwesten van het huidige perceel wezen echter uit dat de bastions ter plaatse niet met stenen muren waren versterkt.
Daarvoor is op de onderzochte plaatsen veel te weinig puin aangetroffen.
Ook de resultaten van het weerstandsonderzoek op de plek van het westelijke bastion geven geen aanleiding om tot een stenen versterking te besluiten.
Het kan slechts om aarden wallen gaan.
Verder bleek dat de gracht rond de bastions veel smaller moet zijn geweest dan de kaarten suggereren.
Al met al is daarmee de eerste indruk dat de versterkingen van 1572 inderhaast waren aangebracht en een provisorisch karakter hadden.
De raadsels rondom de ligging van de gebouwen op het eigenlijke kloosterterrein konden nog niet alle worden opgelost.
De zuidelijke begrenzing van de terp lijkt zich halverwege de zuidelijke helft van het huidige perceel te bevinden, ter plaatse van een voormalige perceelsgrens.
De Robles- kaarten geven deze perceelsgrens aan als een grotendeels gedempte sloot.
Deze sloot vormde waarschijnlijk een overblijfsel van de oudste omgrachting van het kloosterterrein, dat getuige soortgelijke slootrestanten ten westen en noordwesten van de kerk aanvankelijk kleiner was dan in 1572.
De oudste begrenzing ten westen van de kerk werd tijdens het booronderzoek vastgesteld.
Met andere woorden: het kloosterterrein beperkte zich in eerste instantie in hoofdzaak tot de terp.
De grote schuur kan dus alleen na de uitleg zijn gebouwd.
Bij de versterking van 1572 is gebruik gemaakt van de tweede ldoostergracht.
Getuige de boringen ten westen en ten oosten van de kerk was deze lang niet zo breed als de Robles-kaarten ons willen doen geloven.
De diepste delen van de gracht lijken geleidelijk te zijn dichtgeraakt.
De bovenste binnenste randen van de gracht bevatten plaatselijk veel puin.
Op het noordoostelijke deel van het kloosterterrein zijn oppervlakteweerstandsmetingen uitgevoerd in een gebied van drie maal 50 bij 50 meter.
Er werden duidelijke weerstandsverschillen gemeten.
De boringen wezen uit dat de hoge weerstandswaarden inderdaad met ondoordringbaar puin (muurresten) verband houden.
Moeilijker is het de patronen exact met de diverse kloostergebouwen in verband te brengen.
De kerk is niet eenvoudig te vinden.
Een (nagenoeg) oost-west georiŽnteerde structuur van enige omvang is op de juiste plek, dat wil zeggen op de top of iets westelijk van de top van de terp, niet aan te wijzen.
Mogelijk is de kerk net buiten het ingemeten gebied te zoeken en/of zeer grondig uitgebroken.
Wanneer we de kerk willen herkennen in de L-vormige structuur van hoge waarden binnen het oostelijke van de bemeten blokken, is er te weinig ruimte voor de andere gebouwen.
Eťn van die andere gebouwen is de boven beschreven abtshof, die getuige de kroniek en de Robles-kaarten van aanzienlijke omvang was.
De L-vorm ligt volgens de kaarten wel in de buurt, maar wellicht toch iets te westelijk van de abtshof.
De vorm lijkt met zijn omvang van 40 bij 40 meter bovendien wel erg groot om alleen het fundament van het abtshuis te kunnen zijn.
Nader onderzoek in de vorm van een waarderende proefsleuf is daarom ten zeerste gewenst.
Mocht blijken dat de L-vorm toch bijna volledig verband houdt met de abtshof, dan is de informatie die de kaarten over dit gebouw verstrekken betrouwbaar en is Frysl‚n een uiterst interessant historisch en archeologisch object rijker; interessant omdat we een dergelijk gebouw van elders niet kennen en het dan unieke informatie verschaft over de representatie van de macht van de voormalige kloosters in het heerloze Frysl‚n.

Gilles de Langen en Hans Mol