Tzummarum Kapelleterp (skeletgraf)

Onder het bewind van abt Syard Sierdsma (1205-1233) wordt ernstig overwogen het klooster naar een andere plaats over te brengen.
Herhaalde dijkdoorbraken veroorzaakten grote schade en overlast, waarbij het klooster zelf, zo dicht aan de zeedijk gelegen op een slechts weinig verhoogde stede, gevaar loopt.
Abt Syard is inmiddels bejaard geworden en ziet tegen de beslommeringen, verbonden aan de verplaatsing en de bouw van een nieuw klooster op.
Anderzijds ziet hij wel in, dat het zo niet langer gaat; de beste oplossing schijnt hem toe, af te treden en plaats te maken voor een opvolger.
De kroniek vermeldt niet in welke jaren Barradeel geteisterd werd.
Hoogstwaarschijnlijk begon de ellende in het jaar 1219 met de Marcellusvloed.
Het geweld was zo hevig dat de vloeden hoog als torens hadden geschenen en tot Keulen zouden zijn opgestuwd, indien de Heilige Maagd door smeekbeden geen verder onheil had voorkomen.
Gehele dorpen waren weggevaagd en zelfs stenen kerken omgeworpen.
Na het wijken der wateren kwam het vee bij gebrek aan drinkwater om.
Abt Sibo wenste zijn klooster niet langer aan overstroming bloot te stellen en trof, zodra hij tot abt was gekozen, voorbereidingen die beoogden hierin verandering te brengen.
De verwanten van de stichter Sibo legden de abt moeilijkheden in de weg, door te verklaren, dat men het recht niet had, het klooster te verplaatsen.
De abt zette echter door en wees als nieuwe plaats van de vestiging de Lidlummerterp aan.
Nadat men , op de 4e Juli van het jaar 1233, voor het laatst op deze plek het koren had gemaaid, arriveerden de metselaars om de eerste fundamenten te leggen.
De 8e September kon abt Sibrand van “Marieëngaarde”reeds overkomen om het westelijk pand van het verder nog te bouwen kloostervierkant in te wijden, waar de lekebroeders gehuisvest waren, als mede om de voorlopige kapel en het kerkhof met wijwater te besprenkelen.
Het volgend voorjaar ging men verder met de bouw, de muren werden aan de binnenzijde beraapt en geschuurd, slaapsteden ingericht en alles wat onontbeerlijk was voor de eredienst aangebracht.
Eerst toen liet de abt de kanunnike overkomen, op de vroege ochtend van Paas-Zondag, de 22e April van het jaar 1234, schreden zij in een plechtige stoet ‘t Oude Dal uit, met flakkerende kaarsen, de relieken in hun midden, op weg naar Lidlum.

De opstallen van het ontruimde klooster zullen in 1234 een andere bestemming hebben gekregen, maar zijn door de vele overstromingen van de aardbodem verdwenen.