Foto: De moskeflap.

Tebek yn tiid deel 41. augustus 2006

Naast Achterom no. 1, de voormalige woning van F. Wielenga en nu opslagruimte van Jan v/d Berg staat de opslagruimte van bakker Offenga.
In mijn jongensjaren stond daar het hok van bakker G.K. de Vries.
Het diende o.a. voor de opslag van takkenbossen, die in en vlak na de oorlog nog gebruikt werden voor het op temperatuur brengen van de bakkersoven.
Ook andere zaken vonden een plekje in het hok.
De bakfiets waarmee de ble, it brea en het andere bleguod bezorgd werd was in die tijd bemand door Jan Gerbranda die was getrouwd met Griet, een zuster van vrouw de Vries.
Later werden Jan en Griet nog kostersechtpaar van de Ned. Herv. Kerk.
Als 'sutelder' had Jan hulp van Max, volgens mij een zwarte Hollandse Herdershond.
De 'beage' - in Holland zeggen ze gareel of trekzeel- was bevestigd aan een ijzeren stang naast het achterspatbord.
Op deze wijze of een variant hierop doorkruisten de zeven bakkers en andere neringdoenden uit onze dorpen de buorren en alle buitenwegen.
Pn en sinteldyken met gaten waren eerder regel dan uitzondering.
In zijn 'vrije' tijd zat Max vast aan een touw of ketting die was bevestigd aan de zuidmuur van de binnenplaats.
Hier stond ook het 'hnehok' tegenaan.
Er zat een stek om de bleek die grensde aan het Achterom.
It 'skut' aan de kant van het Achterom bestond uit staande planken.
De 'skutsdoar' zat niet ver van het 'hnehok' af.
Als ik bij de bakker achterom ging om boodschappen, en ik drukte me stijf tegen het stek van de bleek aan, dan kon Max net niet bij me komen, want hij gromde en blafte altijd vervaarlijk, als er iemand langs kwam.
Net als bij kruidenier Jaspers-Anna Travaille) en groentewinkel Piet en Metsje (Houtsma) ging ik bij bakker de Vries ook vaak achterom, als ik vanaf het Terppaed boodschappen moest doen.
Al die winkelpanden aan de Nije Buorren hadden van voor tot achter een lange gang waar je gewoon even doorheen liep.
Een meter of drie vanaf de muur van de bakkerij stond een oude, gietijzeren pomp met een zwengel.
Hij zal wel boven de "saad" ( wel) gezeten hebben.
Eerst moest je er voor gebruik wat water boven in gooien, zodat het pompleer wat kon uitzetten.
Na veel gezucht en gekreun van de pomp tijdens het zwengelen kwam er tenslotte mooi helder spoel- en schrobwater uit.
De jongens van de bakker plantten in die tijd niet ver van de pomp ook nog een kastanjeboompje.
In de zeventigerjaren had hij zo'n omvang gekregen dat hij volgens Klaas en Liepy gekapt moest worden.
In onze open haard gaf hij ons de laatste eer.
Douwe, Klaas en Wiebe waren de zonen van de familie de Vries.
Douwe ging naar de HBS (Hogere Burger School) in Harlingen.
Klaas kwam bij zijn heit in de bakkerij en nam later de zaak over.
Wiebe vond werk bij de Rabobank.
Met Wiebe speelde ik nog wel eens.
Hij was een paar jaar jonger.
Op de grote zolder van de bakkerswoning kon je bij slecht weer prachtig spelen met de auto's en de tinnen soldaatjes en wat al niet meer.
Ook maakten we van vijf bakstenen wel eens een "moskeflap".
Wiebe en ik zaten dan achter de "hoksdoar" en konden door de kier precies zien wanneer er aan het touw getrokken moest worden.
De spanning was om te snijden.
Tussen de vier klinkers lagen meestal wat broodkruimels.
Gelokt door de geur kwamen de mosken (mussen) op het brood af.
Meestal was het mis, maar als het prikje onder de vijfde medeklinker weggetrokken werd en het was raak dan kon de betreffende wyfke of mntsje mosk het vaak niet navertellen.
Omstreeks 1950 werd de bakkerij verbouwd. Er kwam een moderne oven met allerlei klokjes en meters.
De takken maakten plaats voor grote blokken antraciet.
Veel minder stof en gelijkmatiger oventemperatuur.
Klaas en Liepy de Vries-Postma hebben hier nog vele jaren gewoond en gewerkt met hun kinderen Gert, Sietske en Jakob.
Toen Klaas na een zeer zware operatie zijn werk niet meer kon doen, heeft na verloop van tijd de familie Offenga uit Franeker de bakkerszaak overgenomen.
We hopen dat deze bakkersfamilie nog lang ons brood zal blijven bakken.
Harm Zaagsma