Tebek yn’e tiid.
Deel 13 van Harm Zaagsma te Sexbierum.

De verhalen rond Zemelsbuurt gaan we nu afronden.
De familie Anne Douma-Krottje die op Zemelsbuurt woonde, hebben, voordat ze naar de Sixtuswei verhuisden, nog enige tijd in de woning van familie Jan Wielinga gewoond.
Anne was een broer van Piet Douma, die met zijn vrouw Sietske en zoon Tjerk tegenover Hettema van de Hoeke (Terp 1)woonden.
Ze runden daar een winkel in tabakswaren.
Piet was opperman bij timmerman Banning van de Alde Buorren 14, en Sietske runde de winkel.
Tjerk werd ingenieur. Hun woning die bij het dempen van de vaart, begin jaren zestig afgebroken werd, kwam als het ware uit de dorpsvaart omhoog.
Ik denk dat de funderingen er nog wel in zullen zitten want die hadden hun aanleg wel 5 à 6 meter onder het straatoppervlak.
Anne Douma werkte eerst bij boer Anne v/d Meer of zijn zonen Johannes en Cor(Hearewei PB 19) schuin tegenover Jasper Zijlstra, richting Harlingen.
Ze woonden toen op de “Theebus” een rijtje van twee of drie arbeiderswoningen, met een hok erachter.
Dat hok staat er nu nog.
Op dat perceel staat nu de woning van familie Bijl de Vroe (Hearewei 11.)
Hier werd zoon Piet nog geboren. (1946)
Voor ze op Zemelsbuurt gingen wonen, was “Brussel” (achter smid Ferwerda) nog enige tijd hun thuis.
Anne werkte later bij zijn zwager Willem Postma, die zijn voermanderij aan het Achterom had, in het hok, achter het huis van kledinghuis Van der Molen.
(Nu Nije Buorren 10.)
Ook boer Jan Landstra was enige tijd zijn baas.
De oudste zoon Tjerk, was van mijn leeftijd.
Dan kwamen Paulus en Piet, die nu nog op de Sixtuswei wonen.
De jongste dochter was Ettje. De op één na oudste dochter heette Jeltje.
De oudste zal Sippie geheten hebben, want hun mem Doetje was een zuster van Elle-Anna Gemser-Krottje, de mem van Sippie Hoekstra-Gemser, die al jaren het zicht op De Hoeke heeft, en daar vooral zomers het vreemdelingenverkeer in goede banen leidt.
Terug naar Zemelsbuurt.
In het huis van Douwe en Janke Mollema woonde later nog de familie Klaas Goodijk (de postloper) met hun zonen Piet en Bouke.
Ook heeft Jan van der Wal hier nog gewoond, voordat het in ± 1971 werd afgebroken.
De familie Willem van Zon woonde eerst aan het Molepaed, bij de Finne.
Het zal ongeveer 1939 geweest zijn, toen ze hun intrek namen in een woonark.
Die lag in de vaart tussen de toenmalige ijsbaan/kaatsveld en de loods van terskbedriuw Philipus Bakker.(Kade 23)
Maar dat werd niet gedoogd, dat was geen woonboot bestemming.
Ze moesten “ferfare” naar Zemelsbuurt.
De ligplaats werd ter hoogte van de woning van Rense Leistra.
Eigenlijk zou het mooi zijn, als ze op de wal ook nog een hok zouden hebben.
Nu had de omke van vrouw Van Zon, omke Doede Dijkstra, die aan de Alde Buorren 4 woonde (waar nu de uitbreiding van de Fixet is), nog een hok, welke hij niet meer gebruikte.
Dit hok stond zo’n veertig meter ten noorden van de spoorbrêge aan de vaart, waar nu het schelpenpad (de ûntsluting) loopt.
Op dat perceel had Jabik Miedema (Jabiks Durkje van het Fintsjeblomke Adelenstrjitte 37 ) ook nog een hok staan, waar hij samen met zijn zoon Jan een tuindersbedrijf had.
Dat hok van Doede Dijkstra had een heel andere functie.
Hier was namelijk een “Hjerringrikkery” in gevestigd.
Het eindproduct, de bokking, werd o.a. door één van Doede en Boukje’s dochters, Mine, uitgesûteld.
(Mine trouwde later met Gerrit (Boukes) Boomstra en gingen wonen in het “Zeilhûs” aan de zeedijk onder Oosterbierum.
Hier lagen de zeilen opgeslagen die bij een eventuele dijkdoorbraak gebruikt konden worden voor afdichting van een gat.)
Het hok voor de rokerij had Doede echter niet meer nodig.
Want toen in 1932 de Zuiderzee door de afsluitdijk werd afgesloten, kon de haring niet meer op die ideale plek komen, om hun kuit te schieten, en kwamen dus ook niet meer in de waddenzee, waar ze door “us”: Wietsma’s, Bouritsius’, Palma’s, Terpstra’s, Bouma’s, Hiemstra’s, Kieviten, Posten enz., enz. gevangen werden.
De optelsom was simpel maar voor de betrokkenen niet best: Geen haring, Geen kuit en dus ook Geen bokking meer.
Van Zon kocht het hok, liet daar Klaas Kikstra de pannen afhalen en in grote stukken demonteren.
Het geheel werd op een praam geladen en weer opgebouwd op het stukje grond van de beerputten, zover mogelijk van de huizen af, tegen de greide van Rients Bruinsma aan.
Dit werd de huisvesting voor de geiten, de baarch en de bok.
Vooral de laatste bracht nogal wat leven in de brouwerij.
Niet alleen mocht hij aan de geitenhouders van de geitenvereniging, die er met hun geit kwamen, laten zien wat hij in zijn “mars” had, ook verspreide hij als de wind ongunstig was, zo’n vreselijke stank, dat het raadzaam was dat iedereen de ramen en deuren gesloten hield.
Zelfs bij het oefenen met het leesplankje op de Openbare Lagere school, was de bokkenlucht snuifbaar aanwezig, als één der kinderen van Van Zon in het lokaal aanwezig was.
De bok moest weg.
Hij ging de roeiboot in.
Om hem rustig te houden ging er misschien wel zo’n gebarsten kool van Fedde Lautenbach mee.
Via de slutting (de driesprong van de Sexbierumer en de Pietersbierumer vaart) ging het richting “Riehals” (driesprong Ried en Sexbierumervaart.)
Bij de “pleats” van Douwe Hoogterp, nu Feike en Piety Bakker-Postma,(Juckemaleane 20) werd hij gedropt in de greide van deze boer, die ook lid van de Geitenfokvereniging was.
Vanaf dat moment stond hij daar “ter dekking gereed”.
Klaas Bouma vertelde me nog dat er in de vaart ook geregeld een skûtsje lag van turfschipper Jelte Vonk, genaamd “De Jonge Hendrik” met een laadvermogen van 32 ton.
In één van de vorige afleveringen stond dat van het gezin Andries en Froukje Faber, alleen Janke nog in leven was.
Richtsje de Boer-Postma, vertelde me dat Griet ook nog leeft.
Als we Pietersbierum nog eens onder de loep nemen, hoop ik de woning met werkplaats van Hein v/d Zee daarbij te betrekken.
In grote lijnen waren dit de laatste tachtig jaar van deze buurtschap.
Soms denk ik wel eens, hoe zou het hier veel, veel eerder hebben uitgezien?
Als je dan de Sexbierumer dorpsvaart en de Pietersbierumer vaart in gedachten neemt, de oude slenken in het uitgestrekte kwelderlandschap, en je zwalkt tijdens een paar vrije dagen over de Boschplaat op Skylge, dan denk je: Zo moet het ongeveer geweest zijn.
Zo hebben de eerste bewoners zomers hun vee laten grazen, de konijnen gestrikt, de eieren gezocht.
Hier hebben ze de harders die zich in de slenken waagden, gevangen.
Of ze zijn het wad op gegaan om bot te trappen.
Bij extreem hoog water hebben ze de hoogste plekken opgezocht, waar ze de schuilhutten hadden gebouwd van takken en riet, wat er op de laagste plaatsen in overvloed groeide en waar ook de kiekendieven hun nesten hadden.
Hier hebben ze het jammerend gehuil van de wulpen gehoord en gingen de ljippen ook toen al “oer de wjuk”.
En in muizenjaren waren de wykels ook toen al talrijker dan in andere jaren.
Net als nu vlogen de fjildûlen toen ook al overdag laag over de vegetatie, zoekend naar prooi.
En als in de nazomer het Engels gras allang uitgebloeid was, en het over de velden paars zag van het lamsoor, dan wisten ze dat het niet lang meer zou duren voor de eerste herfststormen zouden komen, en alles te vaak onder water zou komen te staan.
Dan vertrokken ze naar de hogere gronden om met hun vee daar te overwinteren.
In het voorjaar kwamen ze steeds terug naar de hun bekende plaatsen.
Zo zochten mens en dier de plaatsen op waar men het beste kon overleven.
De hoogste plaatsen werden steeds verder opgehoogd, zowel door de getijden, als door henzelf.
De slenken werden bevaarbaar gemaakt, de gronden bemest en nog later ook afgebakend.
Er zal onenigheid geweest zijn over het gebruik van de beste visgronden en het vruchtbaarste land.
Ook zal men elkaar geholpen hebben bij het bouwen van huizen, schuren en waterkeringen.
Velen kregen hun namen en bijnamen.
Vaak waren die gelijk aan de dieren, de vissen en de vogels.
Ga het voor u zelf maar eens na.
Ook in de afgelopen vijftig jaren waren die er nog.
Wat te denken van Ûltsje-Trientsje (Haarsma), Roel en Botsje (Uildriks), Thomas-Aaltsje (Sippens), Abrams-Arendtje (Faber), Scholte-Hillie (Zijlman), Germs-Blijke (Siegersma) met hun zoon Haring en dochter Engeltje.
Blijke heette van haarzelf ook nog Van der Zee.
Hier liet ik even mijn gedachten de vrije loop.
Wat belangrijk was en is, is dat we als leefgemeenschap vooral bij tegenslag, in wat voor vorm dan ook, er voor elkaar zijn.
De volgende maand, zo rond bevrijdingsdag, hoop ik nog een paar gebeurtenissen uit de oorlogstijd met u door te nemen.

Tot dan. Harm Zaagsma.