Rinze Leistra op zijn boot in Pietersbierum ± 1936 of was hij hier in de veenkolonieën om lange turf te laden?.

Tebek yn’e tiid Deel 12.

We waren gebleven bij de rem-actie van Klaas Kikstra met de hondenkar.
Daar dacht ik een jaar of tien later nog wel eens aan, als ik op de Solex van heit reed, terwijl ik de hulpmotor van het voorwiel achterover trok.
Kikstra had in de naoorlogse jaren zijn timmerwerkplaats aan het achterom, waar Jan Kl. Bierema vanaf zijn ambachtsschooltijd een aantal jaren bij hem gewerkt heeft.
Voor de oorlog had hij zijn werkplaats in de omgeving van de Bargesteeg.
Hij was een man met een apart soort humor.
Bijvoorbeeld als er in het voorjaar verkiezingen waren voor de gemeente, provincie of landelijk bestuur.
In zo’n tijd werden de zuilen in onze dorpen pas goed zichtbaar.
Overal zag je de grote en kleine aanplakbiljetten, in de bekende kleuren, met de koppen van:
Drees, Schouten, Oud en Tilanus.
Voor velen, waaronder ûs mem, (Sjoerdtje Zaagsma-v/d Brug) was zo’n stemdag een hoogtijdag.
Men kon bijna niet wachten totdat de deuren van het gemeentehuis opengingen, want hun stem mocht niet verloren gaan.
Achter een tafel in de hal zaten de vertegenwoordigers van de partijen reeds te wachten, waaronder Durk Houtsma, Jochem Mollema, Vr. Zijlstra-Hoogland en Lytse Douwe de Boer.
Ze streepten degenen die gestemd hadden keurig af op de lijsten die ze hadden.
De Partijgenoten zorgden ervoor dat zij die oud of slecht ter been waren, met een auto werden gehaald, zodat een ieder zijn of haar stem kon uitbrengen.
Maar een stemplicht was er niet.
Er was alleen een opkomstplicht.
Wie dus niet op kwam dagen voor sluitingstijd, kon een proces verbaal krijgen.
Klaas Kikstra, die in die jaren, (± 1949) Hector allang had verwisseld voor een stabijachtig hondje, werd niet warm of koud van de politiek.
Hij fietste na het middageten dan ook rustig op zijn transportfiets, met Byke in het kielzog naar het stemburo en zei: “Hjir wie ik al.”
“Het de ûtsmiter wat smakke heren en dame?”
Waarna hij na een “farske prûm” en een smout verhaaltje weer aan het werk ging.
Na het huis van de Kikstra’s kwam de woning van de familie Andries Faber.
Dit stond iets verder van de vaart af.
Hier had je ook een “stalt”, zodat je er de was kon uitspoelen, een eend of een kip kon plukken, of de gevangen vis werd hier schoongemaakt.
Bij stromend water was de rommel zo uit het zicht verdwenen.
De bijna altijd aanwezige ratten ruimden graag op, wat van hun geding was.
Je woonde hier vrij landelijk en vlak bij het water.
De mensen stonden stukken dichter bij de natuur dan nu het geval is.
Vooral de grotere gezinnen moesten vaak van weinig rond komen.
Genoeg brood was er amper, laat staan vlees.
Wat was er dan op tegen om op “Freed” bij schemer even een paar “Einepieken te knepeljen” om zondags een braadje in’e panne te hewwen.
Van’t Veer, Koolstra of lange Tolman konden niet overal tegelijk wezen om ze te bekeuren.
Andries Faber en zijn vrouw Froukje Faber-De Vries deelden eerst de woning nog met Jochem en Trijntje Faber (Andries zijn ouders.)
Toen deze huizen werden afgebroken, verhuisden ze naar de tweede woning rechts over de brug, richting Pietersbierum, waar de familie Hiemstra-Okkinga nu woont.
Hier vierden ze ook hun 70ste huwelijksdag.
Ze hadden meerdere kinderen waarvan ik Jochem, Jan en Janke alleen gekend heb.
Alleen Janke is nog in leven.
Jochem woonde later met zijn vrouw Rike aan het Terppaed.
Andries Faber zat vroeger in het zware werk: hekkelen, houten damwanden slaan, Sloten slatten en draineerwerk samen met o.a. Ale Klaver van de Torenstraat en Edzer Vermeer.
Lieslaarzen aan, je ziet het nog voor je.
In ± 1955 waren Faber en Klaver nog bezig “de greft fan Vredenoord te slatten”
Er stond een “strykdam” aan de kant van de âlde dyk.
Wij waren toen bezig voor Jan Feikes Bruinsma de arbeiderswoning van de familie Jan Nauta op de “Buntebok” te verbouwen.
Achter de woning van de familie Faber stond nog een huis.
Hier kan je vanaf de “reed” komen langs Mollema en Ennema.
Hier woonde Pieter de Jong, de motorman van dorsbedrijf Bakker, met zijn mem.
Het laatste huis was van de familie Rense Leistra.
Ook bekend onder de naam Rense-Wiets.
De jongens heetten als ik het goed heb: Jan, Jelle, Rein en Wietse, ook waren er één of twee meisjes.
Rense was “een beer van een vent”, met handen als kolenschoppen.
Hij had zelf een vrachtauto.
Zo’n grote GMC. uit het Amerikaanse leger, met zo’n hoekige cabine.
Die paste precies bij hem.
Als hij de zakken met aardappelen voor de ZPC. op de auto zette, dan deed hij het met zoveel gemak, dat het leek alsof er schapenwol in zat.
Later reed hij ook nog op een auto van Bouwmaterialenhandel Haitsma uit Harlingen.
Voor de tijd van de vrachtauto’s voeren de Leistra’s met een schip dat lag afgemeerd bij het houtstek van timmerman Hein v/d Zee.
Voordat de familie Leistra dit huis betrok, woonde hier Kees Nannings Dijkstra met zijn vrouw Jantsje.
Daarvoor was Joh. v/d Sluis de bewoner.
Deze was voorman van de gemeente.
Vermoedelijk heeft de gemeente dit huis laten bouwen voor de beheerder van het stenen hok, waar Kikstra later een huis van maakte.
Dit zal als opslagplaats gediend hebben voor onder andere kruiwagens, waarmee de “hûsketonnen” opgehaald werden.
De tonnen werden geleegd in een van de twee putten die gegraven waren op het stuk land, naast het huis van v/d Sluis.
Als één put vol was, dan begon men met het vullen van de tweede put.
Tegen de tijd dat deze vol was, was de beer in de eerste put zover opgedroogd, dat men deze in een schip kon kruien, om ze daarna te vervoeren naar onder andere de arme zandgronden.
Ook werd hier vroeger wel as gestort.
Faber en Klaver hadden hier in het verleden ook nog een paar pramen liggen met een sleepbootje, waar ze landbouwproducten mee vervoerden.
Het stukje grond van de beerputten was later, toen hier volkstuintjes op waren, erg vruchtbaar.
Fedde Lautenbach, die hier vrij veel groente op verbouwde, sûtelde dit wel uit op zijn platte houten kruiwagen.
Een pakesizzer van Fedde Lautenbach, Klaas Bouma van de Tsjerk Hiddesstrjitte, die toen op de Torenstraat 342 woonde terwijl het dezelfde locatie was, vertelde me dat bij volle maan, de groenten zo groeiden, dat de kool knapte en de wortelen scheurden.
Fedde Lautenbach was ook een man van de natuur en mocht graag jagen.
Hij wilde eigenlijk nooit op de foto.
Maar toch poseerde hij even voor de fotograaf tijdens een jachtpartij.
Eind jaren veertig, toen hij eigenlijk broodnodig moest stoppen met jagen want hij was al …. jaar, schoot hij op het stuk land tussen het “Kastielsje” en de “Readetille” op een stuk wild.
Maar hij raakte ook de “bakkerskoer” van Kees Huizenga, die voor zijn heit, Gosse Huizenga, aan het sûtelen was.
Het scheelde niet veel of Kees had de rest van de dag brood met hagelslag moeten verkopen.
De volgende keer gaan we de verhalen rond Zemelsbuurt afronden. Het is deze buurtschap vergaan, zoals de psalmdichter van psalm 103 het kortstondig leven van de mens vergelijkt met een “bloem des velds”:
“Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer.”
Daarom heb ik de tegenwoordige straten en huizenblokken met hun huisnummers in stippellijnen weergegeven, zodat wij ons nog enigszins kunnen oriënteren.

Harm Zaagsma