Foto ’s spreken voor zich.

Tebek yn ‘e tiid no 83 juni 2015

Torenstraatverhalen.

Lieuwe en Jantsje Brandsma-Plantinga woonden met hun gezin op hûsnûmer tsien schreven we in nummer 80. Jelle Wierenga van Sietse en Zus Wierenga-Sipkema vertelde me, nadat hij dat stukje gelezen had, dat zijn heit de sporttalenten van “Hannibal” en dus ook van zijn zonen Lieuwe, Pieter en Johannes toeschreef aan hun mem beppe Jantsje Plantinga uit Franeker. En Sietse zal het wel geweten hebben!! Toen ze met de bouw van de Torenstraatwenten klaar waren, werd aan de voorkant een lang tegelpad van stoeptegels gemaakt. De eigenlijke “Torenstraat”dus.
Door veelvuldig gebruik van lopers, fietsers en vooral de venters met kruiwagens en karren, al of niet voortgetrokken door een hond, begonnen de tegels op den duur uit te wijken naar de zijkanten zodat er een soort groef tussen de bestrating kwam. Het deed je denken aan de tramrails waar de banden van je fiets zo mooi tussen pasten zodat je geen kant meer op kon. Hendrik Houtsma zal wel niet de eerste en enige geweest zijn die daar kennis mee maakte. Toen het pad dan ook opnieuw bestraat werd kwamen de tegels in verband te liggen zodat je geen doorlopende gleuf meer had. Als je als kleuter of op z’n frysk gezegd: beuker, naar de bewaarskoalle van juffrouw Sjetsje en Antsje en al die andere juffrouwen ging, werden je veel verhalen verteld. En later op de Lagere School natuurlijk ook. We weten allemaal, dat als je een verhaal verteld wordt, je het denkbeeld direct in je eigen bekende omgeving plaatst. De omgeving van de Torenstraat en de Easterbjirmerdyk (nu Hearewei) speelden daarin bij mij een grote rol.
Tegenover Akke van der Zee-Kloosterman en Pieter Goodijk, waar Dames Werkhoven en Age en Klaske Tijsma vroeger woonden had je aan de andere kant van de weg een soort langgerekt plantsoen waar seringen, jasmijnen en andere soorten heesters groeiden en bloeiden. Daar was bij mij het paradijs met Adam en Eva. Daar sliep bij wijze van spreken het lammetje tussen de klauwen van de beer. De kersen en pruimen en al die andere vruchten die er groeiden waren om van te watertanden. En die appelboom stond er natuurlijk ook evenals de slang die tussen het malse gras door zigzagde. De rivier de Euphraat liep achter dat paradijs langs, richting weduwe Nammensma (het huis wat na familie Garage Terpstra komt). Bij een ander verhaal, over Naäman de Sieriër veranderde die vaart in de smerige rivier de Jordaan. Hierin moest die melaatse buitenlander zich zevenmaal onderdompelen voordat zijn huid er weer uitzag als die van een jonge knaap.
De profeet Elisa woonde toen in de laatste gemeentewoning (van Eibert en Jetske Terpstra) terwijl de dienstknecht Gehazie “zijn beloning” in het “Miedhokje” verstopte. Tenslotte moet ik nog even kwijt dat de dorpsvaart die tussen de Torenstraat en de Herenstreek doorliep voor mij de rivier de Nijl was. Ik zag dus de dochter van de Farao met haar gevolg over het tegelpad van de Torenstraat kuieren toen ze tussen het wuivende riet een kindergeluid hoorde. Toen één van de hofdames naar de onderwal ging en de begroeiing opzij boog lag Mozes daar in het biezenkistje. Ter hoogte van Lieuwe en Jantsje ging op dat zelfde moment de voordeur open en werd aangeboden om de zuigeling te voeden tot hij vast voedsel tot zich kon nemen. Het volk Israël woonde bij mij dus in de Toerstrjittewenten net zolang tot ze mochten en moesten vertrekken richting Easterbierrum. Al die denkbeelden zijn dus blijkbaar waardevol om allerhande verhalen in je geheugen op te slaan. Waar water is, is bedrijvigheid en vertier. Zo ook langs de walkant van de vaart tussen het postkantoor en de Torenstraat. Daarover straks meer.
Tussen de gemeentearchitect en het doktershuis stond het drukbezochte postkantoor waar Frans Faber de scepter zwaaide. Hij woonde daar ook met zijn grote gezin. Nu woont het gezin van Philippus Bakker daar.(Tsjerk Hiddesstrjitte 21) Het is wel aardig om even te vertellen dat Philippus zijn pake, met dezelfde voornaam, in zijn jeugd eens een ansichtkaart op de post heeft gedaan die gericht was aan onze tante Mina Zaagsma. Tante Mina was later wijkverpleegster en is nooit getrouwd geweest. Ze heeft deze kaart altijd bewaard. Zodoende zit hij in ons archief. Onder op de kaart staat: Nadruk verboden. Maar daar trekken we ons even niks van aan. Het gaat vooral om de achterkant. Zoals de “jongerein” wel vaker deed was de afzender Z.O.P. Hoe oud onze tante toen was weten we niet maar ze woonde nog in het ouderlijk huis. We zien dat de naam van de afzender onder de postzegel staat. De voor en achterkant van de kaart zien we in deze aflevering.
Zoals we al vaststelden was er altijd veel aanloop bij het postkantoor van de P.T.T. Vooral tijdens kantooruren, want veel administratieve handelingen vonden hier plaats. Als kind wist je al vroeg waar je moest zijn als er een brief of een ansichtkaart gepost moest worden want dan mocht je vaak aan de hand of later loslopend mee. Velen zullen zich nog wel herinneren dat je dan het paardje wat in het draaihekje voor het pad naar de voordeur zat, even mocht aaien. Als je dan ook nog de post in de brievenbus mocht gooien moest je wel even opgetild worden want de sleuf in de muur zat niet op kindhoogte.
Ik weet nog goed dat ik op de walkant tegenover het postkantoor eens heb zitten vissen. Een jaar of negen zal ik geweest zijn en het was in de zomervakantie. Een eenvoudig vissnoertje had ik bij Minne-Aukje van de Alde Buorren gehaald en dat aan mijn bamboehengelstok gebonden. Met de ierdappelgripe had ik wat wormen achter in de tuin “gedold” en in een oude linker klomp gedaan want de rechter was altijd eerst versleten. Voor het geval de aal niet bijten wilde had ik nog wat witbrood voor de witvissen mee. Verder had ik nog een wit “gimmelearden” groente emmertje van 5 liter bij me want de vis moest ook ergens in. Toen ik daar bij het postkantoor aan kwam zaten er al meer te vissen, want het zat daar gezellig, en aan toeschouwers geen gebrek. Liepy Faber stapte daar ook om. Ze zal een jaar of dertien geweest zijn. Waar nodig, gaf ze wat adviezen aangaande het vissen.
Want de beste adviseurs staan nu eenmaal aan de wal. Mijn vishaak had ik intussen voorzien van een mooie rode worm en lag ook al in het water. Het dobbertje dreef telkens met de stroom mee richting Reade Tille zodat je vaak moest verleggen. Soms wipte hij wat op en neer wat de spanning deed stijgen. Plotseling schoot hij in één keer weg en boog mijn hengel door. Het hart klopte me in de keel. Bij het ophalen spartelde een dikke aal aan het snoer die ik met een boog op de wal slingerde. Ik kon mijn ogen niet geloven, wat een vangst. Ik hoefde verder niks te doen want vele handen hadden de vette aal al van de haak “gewormd”en in het “gimmelearden” emmertje gedaan. Voor ik er erg in had nam Liepy de leiding en zei dat er wat water in het emmertje moest omdat hij anders dood ging. Ze nam de emmer met de paling mee naar de onderwal en schepte er wat water in, waarop de aal meteen het ruime sop weer koos. Tot zover mijn vis avontuur.
Of u nu deze zomermaanden thuis blijft of op de één of andere manier ook het ruime sop kiest, wij wensen u een fijne tijd toe.

Harm en Maartje.