Foto 1: Achtertuin van Terppaed 8 omstreeks 1947. v.l.n. rechts voor: Dine, Frouk en Roelof achter: Harm met de geit. Op de achtergrond: de werkplaats voor huishoudelijk gebruik met de pijp voor de kookkachel en daarnaast het húskerútsje.
Foto 2: Duits munitiekistje uit W.O. 1 nu met houten deurkrukken. U kunt nog zien dat deze kist 3 granaten kon bevatten met een diameter van 7.5 cm.

Tebek yn ‘e tiid no 65 september 2012

Huisje, boompje, beestje.

Het is al meer dan een halfjaar geleden dat we schreven over mijn ouders en voorouders, de families Zaagsma en van der Brug. Ook de hechte band met onze kinderen en pake en beppesizzers kwam daar ter sprake. Deze keer willen we het hebben over de dingen die mij in mijn vrije tijd bezig hielden en houden. Het opschrift dat boven deze aflevering staat, geeft al aan, dat je mij op de sportvelden nooit of zeer weinig aantreft. Thuis op de bank kan een sportwedstrijd mij nog wel eens boeien. Maar over het algemeen kan ik mij “om hús hinne” wel aardig vermaken. En dat is al heel lang zo.
Op mijn vijfde of zesde jaar,leerde mem me al, hoe ik op een klein stukje grond, tuinkers kon zaaien, om het na ongeveer een week al te kunnen oogsten. Ik knipte dan elke dag een gedeelte af en deed het op een sneetje brood, soms gecombineerd met radijsjes. Tot op de dag van vandaag smaakt me dat nog steeds. Wat huisdieren betreft, kan ik me niet herinneren, dat we die voor mijn zesde levensjaar hadden. De slachtvarkens die we in en vlak na de oorlog hadden, reken ik daar niet bij. In november 1944, het begin van de hongerwinter, hadden ook de speelgoedwinkels bijna lege etalages. Ik begon toen grote twijfels over sinterklaas te krijgen, want ik had in de timmerwerkplaats gezien dat mijn veel oudere broer Roelof met iets bezig was dat ik eigenlijk niet mocht weten.
En ja hoor, op sinterklaasdag kreeg ik een heel groot pak. Omdat mijn drie jaar jongere zusje Dine, vol verwachting haar grote, door mijn zusters gemaakte, teddybeer uitpakte, heb ik het papier ook maar van mijn cadeau afgescheurd. Maar na 68 jaar weet ik nog heel zeker dat het niet van harte ging. Dit tot grote teleurstelling van diegenen die het bedacht en gemaakt hadden. Mijn sinterklaascadeau was een mooi muizenhok met gaasdeurtje. Het had wel 3 verdiepingen, onderling verbonden met laddertjes. Een nesthokje en draaimolen ontbraken niet. Evenals de albino bewoners, een mannetje en vrouwtjes muis. Ze waren gekocht bij de jongens van “lapkekeapman” Douwe Scheepsma van de Alde Buorren.
Het hok was gemaakt van een oud munitiekistje uit de Eerste Wereldoorlog. Heit had er destijds 1000 van gekocht en deed een groot gedeelte weer van de hand voor één kwartje per stuk. Ze waren dus zowel voor de verkoop als eigen gebruik. Voor de zaak werden er allerlei artikelen in opgeslagen zoals: de nu antieke, pokhouten penkrukken, schroeven, pompleren, doodskistenbeslag en ook de toen nog gangbare varkensringen. Deze werden onder luid geschreeuw, met een tang in de neus geknepen om het wroeten tegen te gaan. Deze muizen waren dus mijn eerste levende have. Een jaar of tien later heb ik opnieuw muizen gehad. Zowel witte als zwarte. Die kruiste ik dan met elkaar, zodat je de vreemdste kleur mengelingen kreeg, zelfs oranjeachtig. Ze kwamen bij Jan Groothof vandaan, die ze weer van zijn zuster uit Haarlem had. Jan werkte toen bij ons en woonde aan de zeedijk. Zo’n 100 meter bij het Fiskerspaed vandaan, richting Harlingen. Als ik dan weer te veel knagertjes had, liet ik ze maar weer bij buurman,“gernier” Gerrit Houtsma in de voerbieten lopen. Tot zover mijn muizen.
Het zal een jaar na de oorlog geweest zijn, dat heit in het voorjaar besloot om een geit te kopen. Niet voor de aardigheid, maar voor de slacht. Hij moest dus vet gemest worden. Zijn menu zou bestaan uit gras, schillen,fruit en groenteafval. Johannes Lautenbach van de Rottefalle (Tsjerke Buorren) leverde de geit. Het bonte dier zag er fleurig uit en was zeker niet ziek. Maar volgens “kenners”was het de vraag of hij wel vet zou worden. Anderen dachten dat hij de lammerziekte had gehad. Sommigen beweerden zelfs dat het een weer was. Deze laatsten hadden de klok wel eens horen luiden, maar wisten niet waar de klepel hing, want dit dier was zeker geen ex bok. Heit zijn kippen, tien witte Leghorns, hadden een ruim hok waar je rechtop in kon staan. Hier werd voor de sik een hoekje afgeschermd, compleet met een houten voerbak voor de schillen op vreethoogte. Een kram in de muur en hij kon vast gezet worden. In het hok ernaast liepen nog tien Rhode Islanders. Deze legden bruine eieren. Aan deze kippen zat veel meer vlees. Als ze twee periodes gelegd hadden gingen ze “voor de bijl”, en in de pan. We leefden toen bijna allemaal nog in een tijd waar het houden van dieren meer nut dan sport was.
Huisdieren laten opereren of laten inslapen was niet aan de orde. Mevrouw Moulijn van de dokter van de Heerestreek,(Tsjerk Hiddesstrjitte) gaf de jongens van buurman postkantoorhouder Frans Faber zo nu en dan een grijpstuiver. Ze moesten dan de pasgeboren jongkatten, op één na, uit het nest, in de oude paardenstal opruimen. Een jutezak verzwaard met een steen, was dan hun”laatste eer”. Ik was er een keer bij toen ze over de leuning van de Reade Tille gekieperd werden. Een plons, gevolgd door blub blub blub, en men ging weer vrolijk verder. Voor een volwassen hondje, zoals Timmy van omke Jan Koudenburg was een andere “oplossing”.
Hij gaf het al wat oudere dier dat eerst van zijn schoonzoon timmerman, Age Schuurmans van Terzool was geweest, met de vrachtrijder mee, die hem in de stad bij een gashokje afleverde. In zo’n tijd leefden we toen ik een jaar of negen was en we die geit hadden. Hij was gewoon onze speelkameraad want een hond wilde heit nooit hebben. De geelachtige Bello van veehouder Rense Postma en de halfblinde zwarte Pollo van Joris Frietema bij de bewaarschool, waren mijn aaihonden geweest. De nog jonge Herta van voerman Willem Postma van het Vliet (tegenover het café) waar Duitse Herder bloed in zat, nam ik wel eens mee naar huis.
Dat was dichtbij want Postma had zijn paardenstal aan het Achterom. In de hoge, vrij grote werkplaats voor huishoudelijk gebruik, waar ook de wasmachine, de wringer en de kookkachel stonden opgesteld, was in het midden ruimte voor een schommel. Hier mocht ik graag even” uithalen”,want boven in de nok hing een oude winkelbel, waar je tegen aan kon schoppen. Als dat lukte sprong Herta telkens al blaffend een paar keer hoog op. Na dat spelletje ging hij natuurlijk weer naar zijn eigen baas. In het kippenhok had ik natuurlijk nog mijn eigen geit. Na schooltijd ging hij aan een eind touw wel eens mee de buorren in. Ook stoeide hij wel met zijn witte soortgenoot van Jopie Bijlsma van het Achterom. Daarna ging hij weer het kippenhok in waar hij het reuze naar zijn zin had. Eén kip, we noemden hem de eigenwize, zat vaak op de rug van de sik. En die vond dat wel best. De zomer ging voorbij en de dagen werden zoals altijd weer korter. Het zal begin november geweest zijn dat heit tegen me zei: Harm ik hew mei slachter Eeltsje de Boer ôfsprutsen dat moanier om 7 ûre de geit der wêze sil.Komt dat klear? Ja dat kin wol, antwoordde ik. (We hadden hem toch gekocht voor het vlees?) De andere morgen was ik net als altijd om half zeven al beneden. Heit en Roelof zaten dan altijd al te eten, want om zeven uur begon het timmerbedrijf met het personeel weer op volle toeren te draaien. Kwart voor zeven haalde ik voor de laatste keer de geit uit het hok, en liep met mijn speelkameraad over het Terppaed naar Eeltsje de Boer.(Terp 23. Later woonden de melkboeren Bron, Bootsma en Dijkstra hier.) De slager stond al te wachten, waarop ik hem het touw met de geit gaf. In plaats dat ik me omdraaide en naar huis ging, bleef ik net zolang staan wachten tot dat hij hem met een apparaat dood schoot. Daarna draaide ik me om en liep met een leeg hoofd naar huis. Het speet me niet dat het nog flink donker was, want op die terugweg hield ik de ogen niet droog.
We hadden in die tijd thuis twee houten wastobben. De één was blank geschuurd, de andere donkergroen geschilderd. De was werd hier altijd in geweekt. Maar die dag hadden ze een andere functie. ’s Middags na schooltijd kwamen ze op mijn kar, want de geslachte geit moest opgehaald worden. Niet alleen het vlees maar ook de eetbare organen werden me mee gegeven. Met een paar witte kussenslopen werd alles afgedekt. Thuis werd alles geweckt. Het vlees pronkte toen tussen de ingemaakte worteltjes en boontjes op de planken in de kelder. Of ik er met smaak van gegeten heb kan ik me niet meer herinneren. De volgende keer hoop ik nog even door te gaan met Huisje, boompje, beestje. Oan ’t dan. Harm.

Inlichtingen bij H. Zaagsma. Terppaed 8 8855 CE Sexbierum. 0517 591337 11664