Foto 1 boven: Harmen van der Brug 06-10-1867-18-04-1946
Foto 2 boven: omke Gerrit
Foto 3 boven: de kaart die bij foto 2 hoort
Foto 1 onder: de familie Knoll
Foto 2 onder: Harm Zaagsma
Daaronder : krantenknipsel.

Tebek yn ‘e tiid no 64 maart 2012

Omdat er, toen ik klein was, en ook later, bij ons thuis redelijk veel verteld werd over hoe het vroeger was, kreeg ik een aardig beeld van de situaties bij heit en mem thuis. Want ze kwamen beide uit een vrij groot gezin. Heit had negen en mem zes broers en zusters. Terwijl er dan ook nog jonge broertjes of zusjes overleden waren. Beppe Jurrendina, de mem van ús mem, stierf op negenendertigjarige leeftijd en is met een levenloos geboren jongetje in één kist begraven op het kerkhof in Sexbierum. Mem was toen de jongste en pas drie jaar oud. Haar dertien jaar oudere zuster Geertje heeft voor haar heit en broers en zusters de huishouding gedaan tot ze op vierentwintigjarige leeftijd in het huwelijk trad. Pake overleed in 1946, toen hij achtenzeventig jaar oud was. Vijfendertig jaar is hij weduwnaar geweest. Toen hij stierf was ik zeven jaar.
Wat ik me nog van hem herinner, is dat hij een platte houten kruiwagen had waarmee hij de aardappels en groenten van zijn tuin haalde. Ook had hij een fiets met een opstap. Etenstijd bracht ik wel eens een lekker prakje of wat erwtensoep bij hem. Hij at het dan meestal op waar ik bij was. Het laatste restje “himmelde” hij er dan uit met een kromme wijsvinger, zodat ik het schaaltje weer bijna schoon mee terug kreeg. Ook het stoken van de “sjudden” in de kachel staat me nog helder voor de geest. Aan zijn pakesizzers heeft hij voor mijn gevoel weinig aandacht besteedt. De tijd was toen ook heel anders.
Zijn hele leven bestond in hoofdzaak uit zes lange dagen werken, werken en nog eens werken. Voorjaar, zomer en herfst bij de boer op het land, en ’s winters in het stoffige braakhok. En zondags, nadat hij de toga, van de dominee, in een koffertje van de pastorie had gehaald, nog twee keer “poestertraapje”, om het orgel in de kerk van lucht te voorzien.
De andere pake en beppe’s heb ik nooit gekend. De meeste pake’s en beppe’s van tegenwoordig hebben wel even meer tijd voor hun nakomelingen. Omdat ik graag wil dat onze nakomelingen wat meer van ons en onze jonge jaren weten, schrijf ik daar zo nu en dan ook wat over op. Over mem haar familie heb ik een paar jaar geleden een paar dingen opgeschreven die mem zo nu en dan vertelde. We konden die verhalen op het laatst wel dromen. U kunt een paar van die verhalen hier lezen. Ik heb er boven gezet:
SPOORWEGPRAAT.
Het was in de tijd dat de trein hier nog reed. Mijn pake, Harmen van der Brug (1867-1946) moest eens op een zondag met de trein naar een ziek familielid (in het nogal kerkelijk Sexbierum reisde men in die tijd zondags alleen, als het beslist noodzakelijk was). Zeer verbaasd vroeg hij de conducteur: wèr moatte al dizze minsken op Snein hinne?. Waarop de conducteur antwoordde: Jo binne toch ek ûnderweis? Omke Johannes van der Brug ging omstreeks 1913 in militaire dienst. Pake was landarbeider en had een groot gezin. Hij verbouwde aardappelen en groente op een stuk of wat “spoorhoekjes”(driehoekige stukjes land die overgebleven waren bij het aanleggen van de spoorbaan)
Omke zijn jongere zusters waren daar dan vaak aan het werk Militairen hadden toen niet vaak verlof. Hij nam dan ook vaak wat lekkers voor ze mee. Bij het naderen van zijn dorp, deed hij alvast het raampje open en gooide Kwatta repen naar zijn zusters. Omke woonde en werkte later op de “wachtpost” van Wijnaldum, Oosthem en Sneek.
Mem, Sjoerdtje Zaagsma-van der Brug,(1908-1990), had een muoike, ergens in de buurt van Dokkum. Als meisjes gingen ze daar wel eens naar toe met het “Lokaaltsje”. Ze vertelde dan dat er een conducteur was die Monsma heette. Bij het naderen van een station werd de stopplaats aangekondigd.
Bij Britsum riep Monsma dan: Brrrrrrit- sum.
Ruud Hoff heeft uit een oud familie album van de Zaagsma’s een viertal voorouders van ons in deze aflevering geplaatst. Oerpake Hendrik R. Zaagsma, uit Koudum, trouwde met Hendrikje Schaaf uit Minnertsga en kwamen omstreeks 1846 in Sexbierum wonen omdat ze het timmerbedrijf van de familie Goodijk hadden overgenomen.Ook bouwde hij het café wat nu de “Harmonie” is. Voordat hij dat verkocht, was hij daar ook een aantal jaren herbergier. In oude advertenties kom je zijn naam bij kaatswedstrijden e.d. herhaaldelijk tegen, want herbergiers organiseerden in die tijd meestal de kaatswedstrijden en hardrijderijen. Waarschijnlijk stond daar toen ook een biljard waar hij wel aardig mee overweg kon. Want in een krantenknipsel uit de Leeuwarder Courant van November 1885 lezen we dat hij voor DIE tijd een flinke geldprijs won met biljarten
Hij zal de reis wel te voet en op klompen gedaan hebben.Dat was gebruikelijk in die tijd. Ik denk niet dat er een ontvangstcomité voor hem klaar stond toen hij met die vette geldprijs Sexbierum binnen kwam. Deze oerpake van mij was er volgens mij wél voor zijn pakesizzers. Minstens vijf van hen emigreerden reeds op jonge leeftijd naar Amerika. Ik vond nog een ansichtkaart die omke Gerrit vanuit North Dakota naar deze pake stuurde toen hij 93 jaar werd. Het was een foto van hem zelf in Amerikaanse kleren. De 20 jarige Gerrit schreef: Ik hoop dat God, pake nog een aantal jaren zal sparen. Mijn gedachten zijn vaak dicht bij pake. En, kent pake mij nog wel in deze kleren? Ongeveer een jaar later zou deze omke, als Amerikaans soldaat, in Noord-Frankrijk in de loopgravenoorlog, van 1914-1918 de vreselijkste dingen meemaken. Hij overleefde die verschrikking en keerde na langdurige sanatorium opname weer in de maatschappij terug. Op oudere leeftijd kwamen al die beelden weer bij hem terug. De andere twee afbeeldingen zijn pake Roelof en beppe Froukje.
De familie Knoll kwam een paar honderd jaar geleden vanuit Zuid Duitsland naar deze streken. Onder de nakomelingen zaten nogal wat dominees en dokters. Beppe Froukje kreeg kanker en werd maar 52 jaar oud. Muoike Hendrikje deed vanaf die tijd de huishouding.
Pake Roelof was behalve timmerman ook molenmaker, doodskistenmaker, wegenbouwer en architect. In die functie heeft hij in 1908 het bestek en tekeningen gemaakt van de boterfabriek zoals wij die gekend hebben. Pake had zijn timmerwerkplaats aan het oude Vliet. Waar nu garage de Boer zijn bedrijf heeft. Als tweede tak heeft één van die pake’s Zaagsma daar ook een chichorei-fabriek gehad. Het branden en verwerken van die wortels was toen erg in opkomst. Het eindproduct, de surogaatkoffie, kennen de meesten van ons, beter als “Buisman”. Hoelang die fabriek in werking is geweest, ben ik nooit achter gekomen. Mijn gevoel zegt, dat pake Roelof wat stug was. Hij wilde ook nooit op een foto. Doordat hij veel op Victor Hugo leek, kon Piet Grunstra, de zoon van het hoofd der school, dit sprekend portret van hem tekenen.
Ondertussen zijn Maartje en ik, ook al weer vijftien jaar beppe en pake. We kunnen zeggen dat we een hechte band met onze kinderen en vijf pake en beppesizzers hebben. Acht jaar geleden , tijdens mijn eerste Slachteloop, kwam dat ook weer tot uiting. Op bijgaande foto werd ik op de Âlde Dyk, bij de pleats van Ane en Nely Jukema, voor de laatste loodjes, nog even aangemoedigd. Ook een andere deelnemer die Harm heette, maakte een foto van dit spandoek.
Toen Sicco Volbeda op zijn werk kwam en collega Harm hem liet zien hoe hij verwelkomt werd, antwoordde onze dorpsgenoot hem dat dit de kinderen van Harm Zaagsma waren die vlak bij hem woonde. Die tocht van 2004 heb ik met “nocht” gelopen Ik was nog maar net buiten Raard, toen Henk Reitsma me inhaalde. Halverwege, toen ik bij een E.H.B.O. post even een pleister op mijn teen wilde, gaf ik Henk de raad om maar door te lopen. Onderweg zag je veel bekenden die ook mee liepen. Zoals: Jappie van der Ploeg, Anne en Trienke Wissmann, Gezusters Antje en Minke, Doeke Hettema met zijn zwager. Anderedorpsgenoten zoals de familie Vonk, heb ik na de bustocht naar Raard niet weer gezien. Hoe dichter je bij huis kwam, hoe meer mensen er langs de kant stonden. Dat begon al in Achlum. Het werd één groot feest. Bij Kiestersyl begroette Hein van Calsbeek me. Maar het waren er veel meer. Toen ik vlakbij de snelweg was, heb ik even naar huis gebeld, hoever ik was. Het lopen ging vanaf toen hoe langer hoe lichter. De fietstunnel zweefde ik bijna door, want bij het begin stonden de gezusters Jikke en Tiety aldoor Har-rum Har-rum te roepen, terwijl Rinze Post op het andere eind al het doorgaande verkeer voor ons tegen hield.
Nog even stempelen op Getswerdersyl, en daar waren we alweer op de Slachte. Op naar de “smoutte” van de kuubskisten van Goodijk. Kees de Ruiter zag me daar geloof ik het eerst. Het leek een thuiskomst alsof ik de wereld rond was geweest. De sfeer deed me daar denken aan het beroemde Franeker Elfstedenbruggetje. Zelfs dominee Smit en zijn vrouw waren aanwezig. Toen nog even door het windmolenpark. Mijn familie stond dus op de kruising Slachte/ Hoarnestreek. Bij de einstreep stond Wike Swart foto’s te maken voor de dorpskrant. Na een gezellig feest in de tent en napraten op de zeedijk, werd het tijd om naar huis te gaan. Toen ik weer uit de bus moest, omdat er teveel in zaten, begonnen sommigen, mee door afkoeling en vermoeidheid, vervelend te doen. Toch kon de dag voor mij niet meer stuk. Via de sédyk en het Fiskerspaed ben ik toen maar naar huis gelopen.

Tot een volgende keer. Harm.