Foto 1 :
Tebek yn `e tiid no 62 september 2011

In no 61 schreef ik dat, volgens mij, postbode Klaas Goodijk door waakhond Peter door de sloot gejaagd werd.
Buurman Klaas Faber meldde me, dat HIJ het was die met kleerscheuren en een nat pak, het hazenpad moest kiezen.
Johannes Lautenbach van de Rottefâlle (Tsjerkebuorren) was er toen getuige van.
Bendien bood direct aan dat hij nog wel een “kreaze” broek in de kast had hangen.
Maar Klaas antwoordde dat hij nooit tweedehands kleren droeg.
Hij kreeg toen vlot geld voor een nieuwe broek.
Hein Postma vertelde me vanmiddag op het Achterom nog dat Douwe Vrij, de melk en ijscoboer, klant Bendien ook geregeld van boter kaas en eieren voorzag.
Voor het geval dat, hield hij bij Gerbranda state, steeds een flinke moersleutel achter de hand.
Toen Douwe een keer halverwege het houten bruggetje was, stoof Peter als een kenau op hem af.
Eén formidabele tik, op Peter zijn bovenkamer en hij had niks meer te koop. Douwe nog wel.
En kon dan ook zonder averij, op zijn moterbakfiets, zijn weg naar de volgende klant vervolgen.
Herre keek het met lede ogen aan en schudde zijn krullenbol.
We gaan nu verder met de volgende verhalen over Herre Bendien: Jan “ Amerikaan”, die na een werkzaam leven in “it lân fan dream en winsken”, met zijn Marie weer terug keerde naar zijn “roots”, vertelde me ook nog een paar aardige voorvallen.
En daar gaan we mee verder.
Jan Dijkstra woonde in die tijd op het “Heechhiem”.
Deze woonstee, waar meerdere gezinnen in woonden, lag op een hoge terp, ter hoogte van Ottemaleane 1 Sexbierum.(nu fam. Gerrit Nammensma) en dan tussen de Ottemaleane en de Slachte in.
Als jongeman was hij veel bij Durk en Piet Fennema op de buorkerij te vinden geweest.
Deze vee en paardenkooplui hadden hun stjelp aan de Frjentsjerterdyk 7 te Sexbierum.
Meerdere jongens uit het dorp brachten hier na schooltijd hun tijd door.
In de zomer van 1952 heeft Jan een maand of vier bij Bendien gewerkt.
Hij was toen een jaar of achttien.
Zoals in die tijd gebruikelijk, kregen de meeste werknemers op zaterdagmiddag om 12 uur hun weekloon uitbetaald.
In de loop van juni vroeg Jan aan Bendien of hij met de kermisweek in Sexbierum, op vrijdag zijn geld kon krijgen, zodat hij die avond, en Zaterdags voldoende geld om handen had.
Nu daar had de boer geen bezwaar tegen.
Toen het echter zover was en Jan vanuit het bûthús bij de baas zijn deur aanklopte, kreeg hij te horen dat er geen geld was, en dat hij morgen maar terug moest komen.
Daar was onze vriend al bang voor geweest.
Hij gaf Bendien dan ook te verstaan, dat hij dan maar van plan was om een stuk vee van hem te verkopen aan Durk Fennema, zodat hij toch over wat bûsjild kon beschikken.
“Dat zul je wel laten” was de boer zijn antwoord. “Kom morgen maar terug”.
En hij deed de deur met een klap dicht.
Jan was echter vast besloten , haalde een koe uit het land, en kuierde rustig met Klaske 13 bij Bendien voor het houten bruggetje langs, richting Hoarnestreek.
Terwijl Jan richting Pietersbierum liep, kwam onze boer hem protesterend achterna met de woorden: “Ben jij helemaal?
Hier is een briefje van honderd gulden, en wat er teveel is, moet ik maandag terug hebben waarna hij Klaske mee terug nam, en thuis aangekomen, weer in de greide los liet.
Jan vertelde ook nog dat Siebetje in die tijd een meisje van een jaar of twee was.
Ze mocht als kleuter graag tussen het vee door lopen en was tussen de koeien op stal ook helemaal niet bang.
Eén keer kwam ze echter ten val en belandde in de halfvolle groppe.
Ze zat onder de koeienstront natuurlijk.
Bendien bedacht zich echter niet en hield zijn dochter onder de koude waterstroom uit de bûthúspomp of kraan. Schreeuwen natuurlijk.
Maar de stront was volledig weggespoeld.
Na vier maanden hield Jan het op Gerbranda-state voor gezien en bestelde zich bij Tiede Swart aan de Frjentsjerterdyk no. 9.
De timmerlui en schilders liepen de deur niet plat op de state van Bendien.
Alleen het hoogst noodzakelijke werk werd gedaan.
Nadat Klaas Kikstra omstreeks 1965 zijn timmerwerkplaats aan het Achterom sloot, deden wij er zo nu en dan wel een karweitje.
Met Gerrit K. Jellema heb ik er omstreeks 1960 nog een slaapkamer op zolder gemaakt.
Koffietijd kregen we dan van vrouw Bendien twee grote boerenbonte koppen warme chocolademelk, met een lekker stuk koek erbij.
Ze ging dan zelf naar de zolder om te zien of alles naar de zin ging.
Het was een aardige vrouw die met haar Oostenrijks accent, ons dan wel aanwijzingen gaf. Als ze haar man moest hebben riep ze heel hard: Herre!! Herre!!
De twee grote papagaaien, een witte en een prachtige bonte, hielpen haar daarbij en schreeuwden dan ook : Herre!! Herre!!
De Siamese katten, waarmee gefokt werd, mochten niet buiten komen, want vreemde loslopende “boarren” zouden eens….
Bij mooi weer stonden de lorres wel buiten.
Vaak in de buurt van de stookhut, op een speciale standaard.
Vast gebonden natuurlijk.
De grote bonte wilde volgens mij soms graag op reis, want hij riep dan voortdurend: Soerabaja Soerabaja, terwijl de andere meer koppie krauw krijste.
Een grote afgedankte T.B.C.- kuurtent diende als volière voor vele soorten siervogels.
In dit binnenhok brandden altijd warmte- en lichtlampen.
Met de Agapornissen (dwerg papagaaien) werd ook mee gefokt.
Daar waren dure soorten bij.
In de buitenverblijven zaten ook allemaal vijvers.
Deze hokken was haar heiligdom.
Het moest precies zo, en niet anders.
Baukje Boonstra hielp haar bij het huishoudelijk werk en Sijbe Hoekstra was daar schilder.
Ze wilden liever niet te veel vreemd personeel op hun erf hebben.
Een volgende aflevering hoop ik deze belevenissen met u af te ronden.
Mocht u nog verhalen hebben die hierbij passen, dan hoor ik dat graag.
Tot dan.
Harm. Zaagsma.