De toren van de St.Nicolaaskerk de kerk is afgebroken in 1794.

FIRDGUM, oudtijds Feirdighem of Feyrdigum, klein, doch oud d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 3 1/2 u. W. ten N. van Leeuwarden, kant. en 3 u. N. ten O. van Harlingen, tusschen twee oude meren of afwateringen besloten.
Men telt er, met de daartoe behoorende b. Dykshoek, 15 h. en 110 inw., en sommigen willen, dat het vroeger grooter geweest is; zelfs wil de overlevering, dat er voorheen eene geheele rij huizen ten W. van het kerkhof zou gestaan hebben, hetwelk niet onwaarschijnlijk is, aangezien er, ruim eene eeuw geleden aldaar nog eenige overig waren.
De inw. generen zich meest met den landbouw; de landerijen zijn er alle zeer goed, vooral heeft men in het midden uitmuntende bouw- en weilanden, welke echter allen elders wonende eigenaars toebehooren.
De inw. zijn allen Hervormd. Na de Reformatie maakte Firdgum eene afzonderlijke gem. uit, welke tot eersten Leeraar had Suffridus Bonttius, die er van 1609 tot 1624 stond: van 1629 tot 1641 werd Firdgum bediend door den Leeraar van Tjummarum, Arnoldus Hachtingius; doch na het verroepen van gemelden naar Dockum, in het laatst van 1641, werd de dienst hier waargenomen door haren vroegeren Leeraar J. Vomelius, Predikant te Minnertsga, na wiens overlijden, J. Stonebrink, Predikant te Tjummarum, deze gem. tevens met die van Tjummarum bediend heeft, van 1654 tot October 1677, toen hij van zijne dienst ontzet werd.
Van toen af is Firdgum soms, maar op welke grond of met welk regt blijkt niet, als eene combinatie met Tjummarum beschouwd, terwijl men er telkens om den anderen Zondag des voormiddags predikte.
In het jaar 1785 werd de dienst aldaar waargenomen door eenen Proponent, hetwelk echter in het jaar 1794 heeft opgehouden, doordien de kerk als toen werd afgebroken.
Thans bestaat in dit d. geen gem. meer. De ingezetenen zijn leden bij die van naburige d. De Pastoor van de kerk te Firdgum, had vr de Hervorming, honderd goudgulden (150 guld.) inkomen; terwijl de Proost van de St. Janskerk te Utrecht, zeven postulaatgulden (4 guld. 20 cent) trok.
In den stompen, die op het zeer hooge kerkhof, thans zonder kerk (foto), staat, hangt eene klok, die reeds vr de vijftiende eeuw moet gegoten zijn, doch waarvan het op schrift niet goed leesbaar is.
Er staat in dit d. geen school: de leerlingen genieten onderwijs te Minnertsga of te Tjummarum.
Vroeger stonden hier de, sedert lang vernietigde, adellijke huizen: Camstra, Jelgersma, Klein-Folta en Klein-Farnia.
Men wil, dat hier voorheen een veer over de Middelzee, naar Stiens, zoude bestaan, en dat dit veer het d. zijnen naam zoude ontleend hebben.

Bron: Het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden van A.J. van der Aa. 1839-1851.