Een oude koopakte

De tegenwoordige eigenaar van Camstra State, de heer Y. Hettinga, is in het bezit van een oude koopakte betreffende deze boerderij.
Deze koopakte is gedateerd 1 februari 1711 en werd pas na gedaan verzet op 15 juli 1720 goedgekeurd door het gerecht van Barradeel.
Verkopers zijn: “1. Joncker Binnert Heringa van Grovestins, grietman over Ferwerderadeel, gecommitteerde in 't mindergetal;
2. Joncker-Frederik van Grovestins, generaal majoor van de cavallerie ten dienste van den Staet der Verenigde Nederlanden, collonel van een regiment en ritmeester van een compagnie paerden;
3. Juffrouw Rixiarda Lucía van Grovestins;
4. juffrouw Eduarda Lucía van Grovestins en
5. Joncker, Geirrold van Grovestins, luitenant van een regiment en capitain van een compagnie te voet.”
Kopers. zijn “ den edele, erentfeste Rinse Rinses Roorda erfgeseten en Pietje Boijens Roorda, echteluiden tot Tiummarum.”
Ander den dorpe Firdgum, althans bij Gerryt Gerryts als huúrder gebruyckt. ”
Hier volgen nog een aantal bijzonderheden over de verkopers en kopers. De familie van Grovestins is een edel geslacht, oorspronkelijk afkomstig van Engelum, genoemd naar de “Grouwe Stens” aldaar, oudtijds Sirtema.
Een van de vroege leden van de familiewas Skerne (geschoren) Wybe, van wie ook de wapenspreuk van het geslacht “Niet te goed, niet te kwaad” afkomstig zou zijn. Verschillende takken van deze familie (grietmannen) stierven in de 17e en 18e eeuw uit. De jongste tak heeft nog vertegenwoordigers in Nederland.
De verkopers nrs. 2 en 5 maakten zich verdienstelijk in de Spaanse Successie-oorlog (1701-1713).
Van de kopers Roorda zijn nog veel bijzonderheden te vermelden. Om en bij Tzummarum hebben verschillende stinzen gestaan. Op één van die sterke kastelen ,woonde het hoofdelingengeslacht Roordama, ook wel Roorda genoemd.
'Wij zullen hen in de' loop van deze geschiedenis nog wel tegenkomen.
Hun stins, Roordamastins, werd ± 1 470 door Skerne Wybe van door Skeme Wybe van Grovestins (zie hiervoor) verwoest. Op deze plaats werd later een boerderij gebouwd, die de Bosplaats werd genoemd, maar ook deze boerderij is verdwenen.
De kopers Roorda behoorden tot een in Tzummarum woonachtige "doopsgezinde familie. Omstreeks 1610 ontstond aldaar een doops- gezinde gemeen te.
met 32 niet-gealimeteerde leden sloot zij zich in 1695 aan bij de Friese Doopsgezinde Sociëteit. De gemeente leed doordat ze voortdurend financiële moeilijkheden had, een kommervol bestaan, zodat ze in 1762 naar de doopsgezinde gemeente te Franeker overging. De vermaning bestond nog in 1836 en in 1948 werd “de Oude Ver- maning” publiek verkocht.
Onze familie Roorda ontleent haar, naam aan Roordastate, destijds een eigenerfde boerderij aan de westkant van Tzummarum, waar de familie in de 17e en 18e eeuw hun bedrijf uitoefende. Waarschijnlijk kochten ze deze boerderij in 1615, want in dat jaar wordt de verkoop aangekondigd van “seeckere heerlijcke schoone state en de saate landts, geleegen toe Tiemarum, Roordama State genaempt”, meer dan 100 pondemaat groot, met het hôff en de stins daerby sijnde ende staende” (er was dus nog iets van de, stins blijven staan). Gebruiker was toen Agge Aggez.
In het Geographisch Woordenboek, Leeuwarden 1749, schrijft E.M. van Burmania, dat onder Tzummarum wordt aangetroffen, de State Roordama, daar men een fraye woning vind, eigen aan een boere geslagt, dat de naam van de uitgestorven Adelijke familie van Roorda heeft aangenomen, daarbij heel rijk is.”
In 1619 vinden we de familienaam Roorda reeds: Rintzie Rintzies Roorda.
In 1666 kerkte de familie bij de Vlaamse Mennisten te Harlingen.
Onze koper Rinse Rinses Roorda werd in 1664 te Tzummarum geboren en overleed aldaar op 30 april 1728. Hij trouwde in 1701 met Pytie Boyens.Roorda, geboren in 1674 en overleden te Tzummarum 29maart 1758.
In 1728 hebben zij het volledige bezit van Roordastate. Rinse Rinses Roorda wordt vermeld als eigenerfde boer en gedeputeerde van de zeedijken.
En is het na kennisneming van het bovenstaande nietmerkwaardig, dat in 1711 afstammelingen van Skerne Wybe van Grovestins Camstra State aan leden van de familie Roorda verkopen, wiens stins hij± 1470 verbrandde?

SPOKERIJ OP DE BOERDERIJ

Uit de volksmond tekende S.J. van der Molen in het vierde deel van zijn Frysk Sêgeboek de volgende sage op.
Omstreeks 1900 was het niet pluis op Camstra State te Firdgum, destijds bewoond door de familie Van der Weg, welke boerderij dicht bij de toren ligt.
Het is een oude boerderij met een kelder in het woonhuis, die dateert uit de tijd, dat op die plek een stins stond.
De vader van mijn verteller werkte wel op de boerderij en omdat, hij viste was hij in het bezit van een schuitje, waarmee hij dicht bij de boerderij lag. De vrouw van de boer had lang, zwart haar. Zij overleed en kort daarna hertrouwde de boer. Zo zat de vissersvrouw eens op een avond in het roefje van de schuit te breien. Haar man lag te slapen. Plotseling schrok de vrouw van het geluid van een onzichtbaar vallend voorwerp. Het hoorde net alsof een glazen knikker op het tafelblad viel. De bange vrouw riep haar man, maar deze, in zijn slaap gestoord, vond het allemaal maar onzin en zei tegen zijn vrouw, dat ze ook maar naar bed moest gaan. De vrouw was nog te veel in de war en kwam niet. Diezelfde avond ging de vrouw in de deuropening staan en keek naar buiten. Tot haar schrik en verbazing zag ze de gedaante van een vrouw met lang zwart haar, gelijkend op de eerste vrouw van de boer van Camstra State, die overleden was. Het scheen alsof de gedaante op de boerderij toeliep, maar bij de”homeije”was zij plotseling verdwenen.
De vissersvrouw huiverde en riep haar man weer. Maar hij kwam weer niet, hij zei alleen “kom toch op bed”.
De volgende avond gebeurde hetzelfde, weer een knikker op de tafel. Toen zijn ze het bed uitgegaan en hebben het schuitje op een andere plaats neergelegd. Het verhaal deed de rondte, dat de overleden boerin geen rust kon vinden, nadat haar man hertrouwd was. Nu zagen ook andere arbeiders van de boer de zwarte gedaante; tijdens het melken of als ze zaten te praten, werd er op een deur of een raam gebonsd en als men de deuren opende stond daar de lange zwarte gedaante. Nadat er op haar geschoten was kwam men tot de ontdekking, dat dit alles op bijgeloof berustte. Men had het silhouet van de Firdgumer toren, waarvan het zadeldak in het maanlicht glansde, voor een vrouw gehouden, die alleen in hun verbeelding bestond…

DE DORPSTERP

Zo’n veertig jaar geleden was de oudheidkundige kennis over Barradeel maar gering. Van slechts enkele terpen waren er vondsten in het Fries Museum te Leeuwarden aanwezig, n.l.: Van Biniaterp ten zuiden Harlingen: scherven geometrisch versierd aardewerk en fragmenten van Gallisch terra-sigillata; van het nabijgelegen Ropens: een bronzen Apollobeeldje; van de Wijnaldumer dorpsterpen Voorrijp: scherven Gallisch terra-sigillata, Argonner sigillata en Angelsaksisch aardewerk. De vondsten uit de terpen van Pietersbierum en de Haitsmaterp bij Minnertsga gingen niet meer zo ver terug, de oudste zijn afkomstig uit de Merovingische tijd (±430 tot 751).
In het gebied, dat we nu beschrijven, zijn drie terpenreeksen, n.l. Pietersbierum-Sexbierum, Oosterbierum-Firdgum en Lidlum-Minnertsga. Geen van de vondsten uit die terpen waren vóór de opgravingen van drs. H. Halbertsma tussen l950 en 1955 ouder dan de 7e eeuw. Halbertsma onderzocht enige hoogten in de omgeving van Tzummarum, de dorpsterp van Firdgum en de heuvel van de St. Maartenskerk van Minnnertsga.
Uiteraard zullen we ons tot de Firdgummer dorpsterp beperken.
De Firdgumerdorpsterp is van verre reeds kenbaar aan de alleenstaande zadeldaktoren,die op het hoogste punt van deze terp is gebouwd. Camstra State ligt ten zuiden ervan. Omstreeks 1920 werd het zuidoostelijke kwadraat van de terp afgegraven. Een van de inwoners van Firdgum met belangstelling voor de opudheidkunde herinnerde zich, dat er destijds een grafveldje werd gevonden met een aantal skeletten, liggende in oost-westelijke richting met het hoofd aan de westzijde. Helaas ontbraken er grafgiften.
Bij het onderzoek door drs. Halbertsma bleek, dat de ondergrond bestond uit laagsgewijs afgezette, afwisselend meer of minder zandige zavel (=klei met 60-80%zand).
Het oorspronkelijke maaiveld viel niet meer met zekerheid aan te wijzen en was kennelijk beploegd geweest. Het liep van oost naar west op tot bijna1 m.+NAP, voor Firdgum een opmerkelijke hoogte.
Bij nader inzien kon men in bouwlaag twee horizonten onderscheiden, wat op een stormvloed wijst.
In een monster uit de tweede bouwlaag werden schelpresten van kokkels, mossels en getijdeslakken aangetroffen.
Ook werd er een aantal zaden van moeras- en slootplanten en onkruit aangetroffen, maar ook tarwekorrels en een deel van een gerstekorrel, zodat we kunnen aannemen, dat er destijds graanakkers aanwezig waren.
Halbertsma meent, dat Firdgum nog een jonge nederzetting was toen het klooster Fulda er sinds de 9de eeuwbezittingen verwierf. Door latere opgravingen in de dorpsterp komen we tot de conclusie, dat de eerste bewoning vermoedelijk reeds omstreeks 200 n. C. heeft plaats gehad.
Er zijn honderden vondsten uit verschillende tijden bij de dorpsterp gedaan, zoals verzilverde mantelspelden (fibulae), veel munten, zilveren en gouden sieraden,veel gebruiksartikelen en aardewerkscherven. In die tijd moet Firdgum een welvarende nederzetting zijn geweest. Ook is gebleken dat er veel aan metaalbewerking werd gedaan. Er werd een complete smederij met tal van ijzerslakken en halffabrikaten, ja zelfs zilverslakken,gevonden. Verder werden er visresten en visnetverzwaringen gevonden, waaruit blijkt, dat hier sprake is geweest van uitoefening van de kustvisserij.
In de schuur van Camstra State heeft de heer Y. Hettinga enkele vitrines met terpvondsten ingericht, terwijl er verder allerlei oude landbouwwerktuigen, enz. aanwezig zijn. Zeer interessant om dit, na afspraak, eens te bezichtigen.

DE MIDDELWEG

De Middelweg, die bevallig door het Friese, landschap slingert, precies de hoogste gronden volgend in een richting evenwijdig aan de Homestreek of Oude Zeedijk, is reeds zeer oud. Je zou deze weg de ruggegraat van Barrdeel kunnen noemen. Hij vormde eeuwenlang de enige verbinding tussen de dorpen en gehuchten van deze grietenij. Hij liep door die dorpen of was daarmee door “leanen” verbonden. We vragen ons af- of deze weg ooit als waterkering dienst kan hebben gedaan, want via de Haulewei in het zuidwesten van de grietenij bestond” er een aansluiting met de Midlumer terpdijk. In het oosten van de grietenij ter hoogte van de voormalige Balkezijl was er een verbinding met de oude Middelzeedijk.
De Middelweg is echter maar smal, zodat de waarde als waterkering maar gering is geweest. Ten Westen van de Schillaan (zie kaartje) is er een plotselinge onderbreking in de richting van de weg. Hier buigt hij met een rechte hoek naar het zuiden af. We weten hier geen verklaring voor, want als de weg door had gelopen kwam hij op een vele honderden meters lange zavelrug terecht. Op de kruin daarvan werd in l182 een klein Premonstatenserklooster gesticht op de plaats, die nu nog Kapelleweg heet, waarover hierna meer.
Misschien heeft de Middelweg er oudtijds ook wel langs gelopen.
De perceelsvorm en de vreemde knik in de Tzummarumer Visvaart lijken hierop te wijzen. Misschien is bij een dijkdoorbraak de Middelweg voor een deel weggespoeld en zag men daarna geen kans of had men geen behoefte meer dit te herstellen, omdat de Oude Zeedijk daarin voldoende bescherming bood.
Hoe het ook zij: het staat wel vast, dat het beloop van de Middelweg door de natuurlijke terreinsgesteldheid werd bepaald, evenals de ligging van de nederzettingen, die door deze weg werden verbonden.

Midlum, april 1993
Chris Nielsen