Oproepkrachten in geval van nood.
Het helpen bij de kustverdediging in geval van nood sprak voor kustbewoners eigenlijk vanzelf.
Het was immers in hun eigen directe belang.
Voor het Waterschap was het praktisch, om gebruik te maken van de diensten van de SÚdyksters, die volledig vertrouwd waren met de elementen.
Als de nood aan de man kwam werden niet alleen degenen, die in dienst waren van het Waterschap , ingezet maar werd er een beroep op alle mannelijke SÚdyksters gedaan.
De preventieve dijkbewaking werd uitgevoerd door een vast dijkleger, dat zijn taken kende.
Als er storm met verhoogde waterstanden werd vervracht, kwam er een hele organisatie op gang.
In koppels van twee controleerden dijkwachten het hun toegewezen gedeelte van de dijk.
Overdag werden ze om de drie uur afgelost, 's nachts om de anderhalf uur.
Op de centrale post zetelde het dijkbestuur (meestal in het dijkmagazijn), daarin bijgestaan door de volmachten (vertegenwoordigers van de betrokken dorpen) voor aflossing en vervanging.
Zij hielden onder meer toezicht op het vullen van zandzakken en het vervoer daarvan naar bedreigde plaatsen, als dat op grond van de binnenkomende berichten nodig was.

In 1955 werd door Provinciale Staten van Friesland besloten, dat de zeewerende waterschappen in hun reglementen bepalingen moesten opnemen "krachtens welke de dijkbesturen zijn gerechtigd bij dreigend gevaar of in geval van dijkdoorbraak de inwoners op te roepen tot het doen van persoonlijke" diensten en tot het vorderen van vervoermiddelen en materialen".
Natuurlijk zou eerst het vaste dijkleger worden ingezet en daarna kon eerst nog "de arbeidsreserve" (de werkelozen) worden opgeroepen, maar uiteindelijk kon er een breed beroep op de bevolking worden gedaan.
0p het niet voldoen aan die oproep stond een straf van 12 dagen hechtenis of f 75,- boete .
Het aanvullen van de reglementen was een reactie op de ramp in Zeeland in 1953.
In de praktijk werden dijkwachten en hulpkrachten uitsluitend onder SÚdyksters geworven ("allen aan en nabij zeedijkbewoners").
De lijsten voor het stormseizoen 1962-1963 gaven aan, bij welke dijkpaal de dijkwacht woonde, zodat hij zoveel mogelijk in de buurt van zijn huis kon worden ingezet.
Tien jaar later kwamen op de lijsten veel dezelfde namen voor, maar nu werden in plaats van de dijkpalen hun volledige adressen vermeld.
Het was het administratieve bewijs, dat inmiddels iedereen van de dijk was verdreven: de adressen lagen niet meer langs de dijk, maar aan de Hornestreek of in de dorpen.

Bron:Kees Draaisma.