Oldehűs State te Wijnaldum

Te Wijnaldum aan de Haule op de viersprong staat de boerderij Oldehűs-state, daar waar ik geboren ben op 14 augustus 1883.
Deze plaats wordt gewoonlijk wel de familieboerderij genoemd.
Dit had zijn redenen.
Een lange familieketting, zoals dat zeldzaam voorkomt, boerden op de boerderij als huurders zoals ik hier verder zal verduidelijken.
In de gevel van het voorhuis zit een wapensteen; mevrouw Van der Plaats-Sleeswijk de Haan uit Leeuwarden was destijds eigenares.
Het wapen is dat van het geslacht Huidekoper, met dit onderscheid dat er een rechter onderkwartier met drie klaverbladeren bijgekomen is.
Waren meneer of mevrouw Van der Plaats afstammelingen van de Huidekopers?
Als wapentuig vindt men onder andere drie handbogen.
Zolang als wij daar woonden stonden op de beide schoorstenen handbogen als windwijzers.
Eerste huwelijk.
In 1821 trouwden Jan Pieters de Haan (1800) en Antje Rientses Hiddinga (1798), en kwamen als boer en boerin op de boerderij.
Van De Haan is mij verder niets bekend.
In ons geërfde zilver zijn er lepels met de namen Murk Jans (1757), Pieter Jans (1754) en Jan Pieters de Haan (1800), met een wapen.
Uit het feit dat hier de Friese halve arend in het linker heraldiek voorkomt, leid ik af dat de graveur het ondeskundig van een zegelstempel heeft nagemaakt.
Op een zilveren mesheft staat: PDH 1774.
Zij kregen twee meisjes, Janke en Antje, die jong stierven.
Jan P. de Haan kwam te overlijden in 1825.
Tweede huwelijk.
Antje R. Hiddinga bleef boerin en trouwde in 1835 met haar boerenknecht Meindert Reins Wytema.
Zij kregen één dochter, Janke (1836), die later trouwde met Lieuwke Jalkes de Jong, boer in Hearbeam.
Meindert R. Wytema stief in 1838 en was geboren in 1810.
Derde huwelijk.
Antje R. Hiddinga bleef weer boerin en trouwde in 1840 voor de derde keer met Pieter Reins Wytema (1813), een broer van Meindert.
Zij kregen een zoon, Riens, die in 1865 trouwde met Hinke Pieters Hiddinga.
Onze Ytje heeft mij verteld dat de ouders van Pieter en Meindert het maar sober hadden: de kleinkinderen spraken van Pake Stoelenmatter.
Ik geloof haast dat zij op een scheepje woonden.
Van het geslacht Wytema vond ik in het armoriaal van Rietstap een wapen.
De Hiddinga’s waren een bekende familie in Wijnaldum.
Het wapen vond ik evenwel op het kerkje van Nijehaske en op een paar stenen op het kerkhof bij de N.H. kerk op het Heerenveen.
Antje R. Hiddinga stief in 1844.
Vierde huwelijk.
Pieter R. Wytema bleef vanzelf boer en trouwde in 1846 weer, met Saekje (1819), een dochter van Sije Heslinga, boer in Wijnaldum.
Zij kregen een dochter, Gooitske (1847), die trouwde met Jacob T. Viersen, later boer in Hearbeam en een zoon, Rein (1849), die trouwde met Geertje I. Anema.
Rein en Kekke werden boer onder Achlum.
In het armoriaal van Rietstap vond ik twee wapens van het geslacht Heslinga.
Pieter R. Wytema overleed in 1851.
Vijfde huwelijk.
Saekje, de weduwe die boerin bleef, trouwde in 1853 met haar boerenknecht Sybe T. de Jong (1830) en kreeg vier kinderen:
1. Eke (1854), trouwde met Petrus Johannes Wybrandus, een zoon van Gerke A. Hilma uit Midlum; zij werden boer in Holwert bij de dorpskom.
2. Sije (1855), trouwde met Akke S. Jensma; zij werden boer in Holwert op Medwert.
3. Jitske (1857), trouwde met Abe Hibma, een volle broer van Petrus; zij werden boer op “De Spyker” onder Almenum vlakbij Harlingen.
4. Jantje (18..), trouwde met Jelte H. Visser, eerst meesterknecht, later graankoopman, bij de baksteenbakkerij onder Midlum.
In Rietstaps Armoriaal vond ik meer dan één wapen van het geslacht De Jong.
Saekje S. Heslinga kwam te overlijden in 1861. Zesde huwelijk.
Sybe T. de Jong bleef vanzelf boer op de boerderij en kreeg in 1863 de hand van Aukje, een dochter (1841) van Douwe J. Brouwer, boer bij de Blynse onder Wijnaldum.
Zij kregen drie kinderen:
1. Douwe (1864, overleden in 1865).
2. Ytje (1865), die in 1893 trouwde met Jelte H. Visser, de weduwnaar van haar halfzus Jantje.
Zij werden boer op “Ludinga” bij de Koetille in Midlum; het ging hen niet voor de wind en Jelte vertrok met zijn zoon uit het vorige huwelijk Hendrik naar Noord-Amerika, maar Ytje had daar geen zin in en bleef met de tweede zoon uit het vorige huwelijk Sybe en haar eigen drie kinderen Auke Dirk, Grietje en Aukje in Friesland.
3. Douwe Sybe (1869), trouwde in ’94 Reinskje, een dochter van Klaes S. Okkinga, boer op Okkinga-state in Wijnaldum.
Douwe S. werd directeur van de boterfabriek, eerst in Aldebiltsyl, later in Marrum en op het laatst in Stiens.
Douwe en Reinskje leefden sinds ’27 van de rente in Leeuwarden, waar Douwe op 17 november 1929 stierf.
Reinskje verhuisde in 1939 naar Harlingen.
Ytje’s huwelijk met Jelte werd ontbonden bij vonnis van de rechtbank van Leeuwarden op 27 juni 1907, inschreven te Franeker op 2 november 1907; zij woonde op het laatst in Leeuwarden en stief op 30 maart 1933.
Sybe T. de Jong is gestorven in 1871.
Het geslacht stamt volgens de overlevering af van Menno Simons.
In de familie waren twee tamelijk gelijkende wapenstempels, die overeenkwamen met de beschrijving in het Armoriaal van Rietstap en Vorsterman van Oyen “Aanzienlijke Nederlandsche Familien”, zeggende het geslacht Brouwer!
Zevende huwelijk.
Aukje Brouwer boerde verder, op het laatst met een boerenknecht, Ane Metz, en eerder met haar broer Jacobus Brouwer.
Zij huwde op 29 juni 1882 Auke Dirk Sybesma, groentekweker in Wijnaldum, weduwnaar van Knierke Blanksma.
Zij kregen één zoon, Sybe (14 augustus 1883), de schrijver van deze regels; ik werd genoemd naar mijn pake, voorheen boer in Dongjum en later op Liaukema-state in Wijnaldum, waar heit in 1843 te wereld gekomen is.
Tot nu toe was de nieuwe binnenkomer op de boerderij altijd een knecht of een meid; omdat heit weduwnaar was, werd de kettingtraditie verbroken en dit zevende huwelijk is het laatste van de reeks.
Anne Rientzes, zoals zij genoemd werd, Saakje en ons mem waren de drie boerinnen, en Jan de Haan, de beide Wytema’s, Sybe de Jong en ons heit waren de vijf boeren op de Oldehűs-state.
In het voorbijgaan moet ik nog aanhalen dat ons heit een dochter uit een vorig huwelijk gehad heeft, Grietje (1869), die maar een kwart jaar oud geworden is; haar moeder was in het kraambed gestorven.
Zij hebben niet op de boerderij gewoond.
Nu moet men verder wel begrijpen dat de vele kinderen, die halfbroers en –zussen van elkaar waren, doordat ze hetzelfde ouderlijk huis hadden vrij nabij elkaar bleven.
De band werd ook versterkt doordat er zo nu en dan bezoeken van die kettingfamilie op Oldehűs-state ontvangen werden.
Nu lijkt het mij onaardig om in een symboliek van de familiewapens te laten zien hoe al die boeren aan de boerderij verknoopt waren.
Van de Sybesma’s is mij geen wapen bekend en ik maak er maar een passer en winkelhaak van in de kleuren blauw – wit van de loge “Deugd en IJver” in Harlingen, waar Heit lid van was.
Hier en daar heb ik wat vrijheid genomen wat die wapens aangaat.
Op die familiebezoeken verschenen bij mijn weten Douwe en Reins, Jelte en Ytje, Abe en Jitske, Petrus en Eke, Sije en Akke, Rein en Hekke, Lieuwke de Jong; ook de kinderen kwamen wel.
De zeven huwelijken hebben elkaar redelijk snel opgevolgd en door de leeftijdverschillen kwamen er wel scheve situaties.
Zo kon het plaatsvinden dat onze Mem niet alleen de kinderen van haar eigen beide mannen over de vloer gehad heeft, maar ook haar zowat even oud als Mem. (PM)
Toen hij eens aan Sybe de Jong vroeg om een sjees en paard te mogen hebben, kon dat onder voorwaarde dat hij voortaan tegen Mem dan ook altijd “moeike” zou zeggen.
In 1905 toen ik in Vlissingen studeerde schreef Heit mij dat hij stopte met boeren, want de familie Van der Plaats zou de boerderij verkopen.
De boelgoed werd in maart 1908 gehouden.
Haye Bruining, onze buurman op Siverda-state – een neef van Heit – kocht de behuizing met het geschiktste land en zijn zoon Wybe Bruining werd boer op Oldehűs.
Heit en Mem verhuisden naar het huis dat zij gekocht hadden in het dorp op de terp.
Heit overleed aan de Spaanse griep op 19 november 1918.
Mem ging kort daarop naar Douwe en Reins in Stiens, verhuisde met hen naar Leeuwarden in 1927 en overleed daar 2 oktober 1930.
Zij was maar één dag ziek en werd 89 jaar.
Heit boerde 25 jaar op Oldehűs en Mem was daar 45 jaar boerin!
Hoewel ik het timmervak leerde, heb ik het altijd een voorrecht gevonden op een boerenplaats groot gebracht te worden.
Op 1 mei 1907 werd ik opzichter van de Rijkswaterstaat in IJmuiden.
Ik trouwde op 20 februari 1908 met mijn nicht Eke van Loon in Metslawier, geboren in Menaldum op 27 augustus 1861.
Onze Auke Dirk werd geboren in IJmuiden op 10 september 1909.
Op 1 augustus 1910 kreeg ik de dienstkring Roermond; hier kregen wij op 16 juli 1913 onze Jantje Ida.
Op 1 mei 1914 werden wij verplaatst naar Cręvecoeur en op 1 juni 1920 naar Leeuwarden.
Op 1 mei 1939 moesten wij verhuizen naar Dordrecht.
13 september 1900.
Laatste huurcontract tussen Heit en Mem en mr. J. D. van der Plaats voor zijn moeder, de weduwe Ansko van der Plaats - Sleeswijk de Haan.
De boerderij was ongeveer 100 pondenmaat – 35.70.20 ha. De huur bedroeg f 2.300.- voor de teeltjaren 1901-1907.
19 maart 1908.
Notaris Hylke de Koe van Sexbierum houdt het boelgoed bij.
Verkocht werden onder andere: 18 koeien, hokkelingen (pinken) en kalveren, 5 paarden, 6 schapen, 4 hooiwagens, 4 driewielige wipkarren, 4 eggenkarren, klaverpak, huifkar, arrenslee, braakmachine voor vlas, wortelsnijder, 8 ploegen, 9 eggen, 2 landrollen, koolzaadkruiwagens, koolzaadkleed, windas (wanmolen), dorsrollen, slijpsteen, keerdam, keerschotten, mestkruiwagen met mestplanken, stookpot, troggen, voederbak, meelkisten, kippenhok, bascule (weegwerktuig), schaaltjes, turf, hooi, kaf, de karnton al sinds 1888 buiten gebruik, een ouderwetse mangel, wat overtollig huisraad, gereedschappen, paardentuig en verder vanzelfsprekend kruiwagens, planken, harken, hooivorken, houwelen, sleepharken, rieken, scheppen, schoffels, schouwborden, zakken, zeven, manden, draagjukken, emmers enzovoorts, enzovoorts.
J. van der Weij, stationchef, kocht het bootje dat ik in 1902 voor mijzelf gemaakt had voor 15 gulden.
Het eiken kabinet, dat waarschijnlijk al met Jan de Haan op de boerderij gekomen was, werd mijn eigendom voor 29 gulden.
De bruto-opbrengst van het boelgoed was f 5.361,85 – na aftrek van de kosten bleef er netto f 4.995.- over.
Rein van der Meulen was eigenaar geworden van de duurste koe voor f 255.-, de duurste pink voor f 130.- en het duurste paard voor 326.-.
Oom Koos, kastelein in “De Bijekoer” (bijenkorf) had bij het boelgoed de tap in het dorshuis.
Als ik het goed heb, kreeg hij de zaaimachine van heit cadeau, omdat hij er altijd mee rondging bij de boeren.
Heit had onderhands vierhonderd aardappelkistjes verkocht voor tachtig gulden aan de jonge nieuwe boer Wiebe Haijes Bruining, die vandaag de dag alweer 32 jaar de bewoner is van Oldehűs-State te Wijnaldum.

Dordrecht – Palmzondag 1940 - Goede Vrijdag.

Geschreven door Sybe Sybesma (1883-1954),
vertaald door Auke Sybesma (*1979).