Opschudding in Tzummarum

Weggeborgen in archieven liggen soms opzienbarende verhalen.
Ze liggen er al eeuwen en iedereen lijkt ze te zijn vergeten.
Soms komen ze bij toeval toch nog weer tevoorschijn en dan bieden ze een onverwacht inkijkje in het dagelijks leven van, in dit geval, ongeveer 350 jaar geleden.
Zo ontdekte ik in de aantekeningen van Daam Fockema (1787-1855) een verwijzing naar onderstaand verhaal in de vonnissen van het Hof van Friesland, de rechtbank die van 1515 tot 1811 was gevestigd in de Kanselarij in Leeuwarden.

Dit verhaal speelt in Tzummarum en begint in 1648, het jaar dat de Vrede van MŁnster een einde maakte aan de Tachtigjarige Oorlog.
In Tzummarum zal die vrede niet een diepe indruk hebben gemaakt, want in Friesland had men na 16oo van de oorlog niet meer veel gemerkt.
Het strijdtoneel had zich verplaatst naar de zuidelijke gewesten.
Het wonderbaarlijke verhaal van Hans Reinders zal ongetwijfeld wel voor veel opschudding hebben gezorgd.
En toen alles achter de rug was, zal het gauw zijn vergeten, want veel betrokkenen wilden liever niet aan hun bijdrage aan de gebeurtenissen worden herinnerd.
Sommigen omdat ze zich schaamden voor hun aandeel, anderen omdat ze betrokkenen niet in verlegenheid wilden brengen en weer anderen omdat ze niet wisten wat er eigenlijk was gebeurd.
Zulke verhalen maken grote kans in het vergeetboek terecht te komen.

In de Witte Zwaan
Het was op 4 augustus 1648, een vrijdag.
Er zat een onbekende man in de gelagkamer van herberg de Witte Zwaan.
Waar hij vandaan kwam en hoe hij hier was gekomen wist niemand.
Maar hij zat daar en had al flink ingenomen.
Hij had de aanwezigen royaal laten meedrinken.
De kastelein, Hessel Pieters, had een drukke dag en een goede omzet.
De man had grote verhalen over zijn verblijf in IndiŽ.
Hij had gevochten met de inboorlingen en met wilde beesten.
Als bewijs liet hij de littekens zien, voor zover dat gepast was.
De hele herberg smulde van de sterke verhalen.
Toen hij vertelde dat hij Hans Reinders heette, werd het stil.
Die naam was maar al te bekend in Tzummarum.
Reinders was in 1639 getrouwd met Neeltje Annes en enkele jaren later met de noorderzon vertrokken.
Waarom hij is vertrokken en waarheen wist niemand.
Was het geen goed huwelijk of was Hans op de vlucht voor schuldeisers) Niemand wist het.
Na een paar jaar was Neeltje opnieuw getrouwd, met Arjen Jans. In de zomer van 1648 was ze zwanger.
Hans Reinders had dus al die tijd in IndiŽ gezeten was nu terug in het dorp.
De mensen konden het nauwelijks geloven, maar waarschuwden toch de familie.
Hoe dat precies is gegaan blijft onduidelijk.
Sommige getuigen beweerden dat Hans bij Neeltje in huis is geweest en dat Neeltje verklaarde: 'Hij is het'.
Over het vervolg zijn de getuigen eensgezinder. Jacob Annes, de broer van Neeltje kwam ook naar de herberg.
Hij nodigde Hans uit mee te komen naar zijn huis.
Hans ging mee en iedereen kon zien dat hij niet meer stevig op zijn benen kon staan.
Toen hij de herberg verliet, bestelde hij nog een koets die hem de volgende dag naar Leeuwarden moest brengen.

Op bezoek bij zwager Jacob
Sommige getuigen beweren dat ze nog bij zwager Jacob in huis zijn geweest toen Hans Reinders daar op visite was.
Het zijn onduidelijk beweringen. Jacob zou gevraagd hebben: ĎBist dou Hans Reinders of bist de duvel?' Ook zou er een hoop geld op tafel hebben gelegen.
En de zwagers zouden ruzie hebben gemaakt, maar het blijft onduidelijk.
Hans, laten we aannemen dat hij het was, had natuurlijk heel wat uit te leggen.
Hij had zijn vrouw in de steek gelaten en de familie had haar moeten bijstaan.
Nu Neeltje hertrouwd was, dook hij plotseling weer op. Welbeschouwd zat niemand op zijn terugkeer te wachten.
We zouden graag hebben willen weten wat voor ontvangst deze Hans bij zijn familie in Tzummarum dacht te krijgen.
Zou hij hebben verwacht dat hij de draad van zijn huwelijk met Neeltje weer kon oppakken? Hans heeft die nacht bij zijn zwager gelogeerd, maar de volgende ochtend was hij vertrokken, mogelijk naar Leeuwarden.
Zwager Jacob verklaarde later dat hij al was vertrokken toen hij opstond.
Hij noemde hem een dief omdat hij zijn hoed zou hebben gestolen.

Een lijk op de zeedijk
Dit wonderlijke incident had voorgoed in het vergeetboek kunnen raken.
Dat gebeurde echter niet, want een paar weken later werd er aan de zeedijk bij Koehool een lijk gevonden.
Er was een schip gestrand, mogelijk na een storm.
Met vereende krachten werd gepoogd het schip weer naar dieper water te manoeuvreren.
Tijdens dat werk werd het lijk gevonden, tegen de palenrij bedekt met zeewier.
Jacob Annes ontdekte het lijk het eerst. Het moet er vreselijk hebben uitgezien.
Het hoofd, beide handen en ťťn voet waren er afgesneden.
Deze ledematen werden niet bij het lijk aangetroffen.
Het lijk is snel door de dorpsrechter naar Tzummarum overgebracht en begraven op het kerkhof.
Achteraf bekeken was dit procedureel niet in de haak.
Er waren overduidelijk sporen van een misdrijf en daarvan hadden de heren van het Hof van Friesland op zijn minst in kennis moeten worden gesteld.
Dat was voor alle betrokkenen beter geweest, want nu kwamen er praatjes en geruchten die in de maanden na de begrafenis alleen maar erger werden.
Die praatjes kwamen uit de herberg waar de mensen op 4 augustus met Hans Reinders hadden zitten praten en drinken.
Bij dat groepje herbergklanten, met kastelein Hessel Pieters als belangrijkste woordvoerder rees al snel het vermoeden dat Hans Reinders door zijn zwager Jacob Annes was vermoord .
Hij zou het lijk zwaar hebben verminkt om de herkenning van Hans Reinders onmogelijk te maken.

Gevochten met de wilden
Hans had in de herberg sterke verhalen verteld over zijn avonturen in lndiŽ waar hij met de wilden had gevochten.
De littekens die hij daarbij had opgelopen waren uitgebreid besproken en bekeken.
Er was ťťn litteken dat hij niet wilde tonen. Dat zat op zijn rechterbil.
Daar had een pijl ingezeten, die zo diep in het vlees was doorgedrongen dat hij er moest worden uitgesneden.
Van die operatie was een groot litteken overgebleven.
Al pratend kwamen deze herbergklanten tot de conclusie dat hier toch nog een mogelijkheid tot identificatie lag.
Daarom is er een delegatie op een avond in oktober naar het kerkhof getogen om het lijk op te graven.
Zij zagen dat het 'dode lichaam een grote groede op't eene bill hadde'.
Het moet een vies klusje zijn geweest, want het lijk was al in vergaande staat van ontbinding.
Maar het ging van kwaad tot erger.
De kastelein Hessel Pieters beschuldigde op zeker moment Jacob Annes openlijk van moord op Hans Reinders en hij suggereerde ook nog dat hij hem had beroofd van zijn geld.

Voor het gerecht
Jacob liet dit niet over zijn kant gaan en deed zijn beklag bij het gerecht van Barradeel.
Hij eiste vervolging van zijn lasteraars want 'Hij beclaegde was niet alleen van eerlijcke en vroome olders gesprooten, maar hem ook altoos vroom ende neerstich heeft gedragen en goede naam en faam bij alle eerlijke ingeseten is dragende'.
Op 4 oktober 1650, dat is ruim twee jaar later, is er proces-verbaal opgemaakt.
Toen het woord moord eenmaal was gevallen werd het menens.
De autoriteiten van het Hof in Leeuwarden werden ingeschakeld om de zaak nader te onderzoeken.
In eerste instantie zag het er somber uit voor Jacob Annes. Hij werd in hechtenis genomen in het Blokhuis.
De Procureur-Ceneraal ging voluit op het orgel en beschuldigde hem van moord en hij onderbouwde dat met een groot aantal getuigen.
Hij eiste dat de gevangene 'aan lijff en leden' gestraft zou worden.
Het leek erop dat de herbergklanten gelijk zouden krijgen.
De advocaat van Jacob Annes liet zich niet uit het veld slaan.
Hij kreeg van de heren van de Oost-lndische Compagnie in Amsterdam een verklaring los waarin stond dat Hans Reinders inderdaad in dienst was geweest bij de Compagnie, maar dat hij al in 1642 was overleden.
En toen was het gauw afgelopen met de strafzaak. Jacob Annes werd op 20 juni 1651 vrijgesproken en ontslagen uit het Blokhuis. Daarna werd het stil.
Hessel Pieters die het allemaal zo zeker wist, had naar het schijn zijn krediet in Tzummarum verspeeld en is tamelijk snel verhuisd naar lJlst waar hij een andere herberg exploiteerde.
En voor de andere betrokkenen was het beter zich na deze ontknoping stil te houden.
Iedereen snapt wel dat je in een klein dorp weer verder moet.
Dus zand erover, 'meiÔnoar troch de tiid'.
Het lot van Neeltje Annes was bepaald niet uniek. Het kwam geregeld voor dat echtgenoten niet van een zeereis terugkeerden.
Van deze onbestorven weduwen werd verwacht dat ze geen relatie met een andere man begonnen voor duidelijk was dat de eerdere echtgenoot niet terug zou komen.
Duidelijke voorschriften waren er niet.
Gebruikelijk was dat ze minstens drie jaar wachtten.
Vrouwen die eerder aan een nieuwe relatie begonnen kwamen voor het gerecht en werden van bigamie of onzedelijk gedrag beschuldigd.

Opmerkelijk
Bezien we de rechtsgang in deze zaak, dan is het in de eerste plaats onbegrijpelijk dat het gerecht van Barradeel het Hof van Friesland niet informeerde.
Het Hof stond op zijn strepen en liet niet over zich heenlopen.
Nadat het Hof tenslotte wel was ingeschakeld lijkt de Procureur-Generaal hard van stapel te zijn gelopen.
Kennelijk was hij overtuigd van kwade opzet van Jacob Annes.
Opmerkelijk is dat Neeltje Annes, de vrouw van Hans Reinders zelf geen verklaring heeft hoeven af te leggen.
De verdediging van Jacob Annes kon de aanklacht effectief weerleggen met de verklaring van de directie van de VOC.
Er blijven meer vragen. Als het niet het lijk van Hans Reinders was, van wie dan wel?
We zullen het nooit te weten komen. Het blijft een opmerkelijk verhaal.

Een artikel uit Frysl‚n Historisch Tijdschrift juli 2013 van.
Siem van der Woude (Oosterbierum, 1953) studeerde geschiedenis aan de Rijksuniversiteit in Groningen en volgde opleidingen in archiefbeheer.
Sinds 1980 werkt hij bij Tresoar.

NB
IndiŽgangers Friesland stond bestuurlijk en commercieel buiten de activiteiten van de Verenigde Oost-lndische Compagnie.
Dat verhinderde niet dat er een groot aantal personen dienst nam als beambte.
Dienstnemen bij de VOC stond in laag aanzien.
Werken in de tropen was ongezond en de reis er naar toe was nog ongezonder.
De kans om niet terug te keren was groot.
lndiŽ was vaak de laatste uitweg voor mensen die aan lager wal waren geraakt.
Een enkeling lukt het om fortuin te maken en terug te keren.